Geen potjes maar people-tjes

Gisteren werd in aanwezigheid van H.M. Koningin Beatrix de nieuwe afdeling Archeologie van Nederland in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden geopend.

Totale kosten van de herinrichting: 5,6 miljoen. Het resultaat: on-Nederlands fraai.

Alle archeologische vondsten van nationaal belang komen in ons land in beginsel terecht in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. Reuvens, de eerste directeur van het museum (en de eerste hoogleraar archeologie ter wereld) begon meteen na de stichting in 1818 met de opbouw van een Nederlandse collectie.

Dat gebeurde vooral door opgravingen georganiseerd vanuit het museum zelf. Omdat het Rijksmuseum voor Oudheden tot 1920 (toen het Biologisch Archeologisch Instituut te Groningen werd opgericht) de enige opgravende instantie van ons land bleef, bestaat het grootste deel van de Nederlandse collectie nog steeds uit eigen vondsten.

Wat de collectie bijzonder maakt is dat van zo'n negentig percent van de voorwerpen de opgravings-documentatie, dat wil zeggen gegevens over de context waaruit de vondsten komen, in huis aanwezig is. Maar met die documentatie werd voor de presentatie van de vondsten nooit iets gedaan. Tussen 1920 en 1930 kwamen er wat maquettes en foto's tussen de rijen aardewerk te terecht en wat summier toelichtende teksten, maar daar bleef het bij. Het was nog net geen magazijn-opstelling.

Kaal

Deze kale presentatie is tot in het vorige decennium gehandhaafd. De oorzaak daarvoor lag deels bij de inhoud van de rest van het museum. Dr. G.J. Verwers, de huidige directeur, zegt daarover: "Na wat kleine veranderingen bepaalde mijn voorganger, de Egyptoloog Klasens, in de jaren zestig nog dat de vormgeving van de Nederlandse afdeling moest passen in het stramien dat voor alle afdelingen was ontworpen. Dat stramien was kunsthistorisch, object-gericht. Voor voorwerpen uit de klassieke wereld en uit Egypte was die keuze begrijpelijk. Daar hoef je eigenlijk niets mee te doen, want die kun je alleen al om hun schoonheid bewonderen. Voor zaken uit de Nederlandse bodem geldt dat niet. Ik heb nooit iemand in vervoering zien raken van een Standvoetbeker. Het zijn prima museale voorwerpen maar je moet er wel iets mee doen. Je kunt die niet zomaar in een vitrine zetten en dat is lange tijd wel gebeurd'.

De enige concessie die Klasens toestond was de inrichting van een klein zaaltje waarin educatief (het museale toverwoord van die tijd) iets over de Nederlandse archeologie werd getoond. Voor een ander deel wortelde de kale, object-gerichte opstelling in de "oude', op artefacten gefixeerde, archeologie. Maar in de zestiger jaren raakte die archeologie op drift.

Verwers: "Het archeologische denken veranderde. Stond vroeger het voorwerp centraal, nu - en dat is de invloed van New Archaeology geweest - zien archeologen dat als onderdeel van een groter geheel. Als een middel om te pogen het beeld te reconstrueren van de verdwenen samenlevingen waarin die voorwerpen een rol speelden. Zoals dat dan in jargon heet: geen potjes maar people-tjes. De bestaande museum presentatie deed deze ontwikkeling, die ook in Nederland plaatsgreep, geen recht'.

Spannend

Onder leiding van Verwers is een jaar of vijf aan de plannen voor de herinrichting van de Nederlandse afdeling gewerkt. Verwers over de uitgangspunten: "Het tonen van voorwerpen blijft centraal staan, we hebben nu eenmaal een museale taak. Maar ze worden nu gebruikt om samen met andere middelen het nieuwe verhaal van de Nederlandse archeologie te vertellen. En dat is het verhaal van de bewoningsgeschiedenis van ons land in relatie tot de ontwikkeling van het landschap'.

Voor de vernieuwde presentatie zijn uit de ruim 65.000 items van de Nederlandse collectie 2.000 voorwerpen gekozen en is de aanwezige documentatie eindelijk ten nutte gemaakt. De voorwerpen moesten in het verhaal passen en niet andersom. Dat verhaal, opgedeeld in drie hoofdstukken: prehistorie, Romeinse Tijd en Middeleeuwen, wordt met veel flair verteld door kernachtige teksten, werkelijk prachtige schilderingen en zeefdrukken, de voorwerpen zelf, maquettes, kaarten en grafiekjes.

Voor fijnproevers zijn er 'lagen' in de presentatie aangebracht en mogelijkheden tot verdieping. Elk hoofdstuk heeft door kleurstelling en lichtval een eigen gezicht gekregen, waarbij er heel bewust naar is gestreefd sfeer te scheppen. Het resultaat is on-Nederlands mooi, stemt een beetje dromerig. Daarvoor tekenden naast zeefdrukkers, schilders en museumstaf met name interieur-architect Jowa (die ook de Nederlands-Vlaamse stand op de Frankfurter Buchmesse ontwierp) en grafisch vormgeefster Gracia Lebbink.

De operatie heeft 5,6 miljoen gekost; 2,3 miljoen voor het museale deel en de rest (uit het Deltaplan voor het Cultuurbehoud) voor nieuwe klimaatbeheersing in het hele museum. Vraag aan Verwers of dat mooie, die modieuze kleurstelling bijvoorbeeld, niet toch een beetje riskant is.

Verwers: "Ik vind dat spannend, ik wil dat. Liever dat mensen nu zeggen dat het mooi is en over vijf jaar het risico van moeten overschilderen dan die non-kleur uit de rest van het museum. Je moet kleur bekennen, vind ik. Je kiest daarvoor en loopt risico. Maar dat behoudende, voorzichtige. Nee ... dat kan niet.'