Europa's ambtenaren knutselen voort

Het is als met de kabouters die volgens het sprookje in de nachtelijke uren het mensenwerk afmaken. In de ambtelijke onderwereld van Europa gaat het zagen, spijkeren en schroeven aan de eenwording gestaag door. Terwijl in de bovenwereld de politieke leiders zich er vooral druk om maken wie welke communautaire instelling binnen zijn grenzen krijgt, en geleerde commentatoren worstelen met de vraag of "Maastricht' nu het begin of het einde was, sleutelen de ambtenaren zoals voorheen voort aan hun voldongen feiten. Alsof er in 1992 in 't geheel geen geloofwaardigheidskloof was ontstaan tussen de Europese elite en het Europese volk. Uit het Belgische Genval kon dit weekeinde dan ook worden bericht dat met de technische voorbereiding van de Economische en Monetaire Unie meer dan verwacht voortuitgang was geboekt.

Wat dat precies betekent is voor de buitenwacht nauwelijks te beoordelen. Immers, met het verval van de "franc fort' deze zomer scheen de droom van de ene Europese munt toch nog uiteengespat te zijn. Maar zo snel zijn de taaie Brusselse onderhandelaars blijkbaar niet van hun stuk gebracht. De politiek mag de Europese munt even uit de algemene aandacht hebben getild, de deskundigen zijn al begonnen aan een nieuwe aanloop voor de hink-stap-sprong die uiteindelijk naar het goud van de monetaire eenheid moet leiden. De overtuiging in de kleine kring der experts dat de gemeenschappelijke markt slechts toekomst heeft als er een monetair dak op komt, is ondanks de tegenslagen niet aangetast.

Er is nog een ander Europees circuit dat zich in de "kabouterfase' bevindt: de voorbereiding van de toetreding tot de Gemeenschap van lidstaten van de Europese Vrijhandelszone. Die landen bewegen zich al enige tijd halverwege de Europese Economische Ruimte, maar zij beschouwen die ruimte slechts als voorportaal tot het formele EG-lidmaatschap. Over dat lidmaatschap wordt op ambtelijk niveau onderhandeld. Er bestaat bovendien een Europees onderhandelingsschema voor een gefaseerde toetreding van Oosteuropese en mediterrane landen. Onlosmakelijk met dat schema verbonden is het voornemen het bestuur van en de besluitvorming binnen de Gemeenschap te stroomlijnen. Met dat laatste is bedoeld dat de grote landen, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië, zich het groeiende aantal kleinere van het lijf willen houden. Ook dat onderwerp is nog vrijwel buiten het politieke debat gebleven.

Na "Maastricht' is er in verscheidene Europese landen een korte en verwarde discussie ontstaan over de noodzaak van een fundamenteel en publiek Europees debat. Aanleiding was het aanvankelijke Deense "nee' tegen "Maastricht', oorzaak de bewustwording dat er grote dingen te gebeuren stonden zonder dat men een idee had van betekenis en gevolgen. Op "Europa' was in brede kring lange tijd vertrouwd zonder dat er veel aandacht werd besteed aan de vraag waarop dat vertrouwen was gebaseerd. Maar al spoedig bleek dat het in ieder land om iets anders ging. De Duitsers zagen het spook van de geldontwaarding weer opduiken, de Fransen verloren zich in een twist over de republikeinse waarden die gevaar zouden lopen, de Britten maakten er een geprolongeerd "koningsdrama' van. In Nederland is het debat inmiddels vernauwd tot een monoloog van parlementariër Bolkestein.

De verzanding van het "Europese debat' in een partijtje Hoekse en Kabeljauwse twisten hier en daar betekent niet dat de vorig jaar opgeworpen vragen niet terzake waren. Nu er alom nationale ontbinding optreedt, een verschijnsel dat bovendien aan de Gemeenschap zelf niet voorbijgaat, dient bijvoorbeeld te worden uitgezocht of "Brussel' alternatieven heeft voor die ontstuitbaar gebleken devolutie. Anders gezegd, is de Gemeenschap in staat de paradox tussen regionale versnippering en internationale integratie op te lossen? Duitsland uitgezonderd trachten de lidstaten zoveel als mogelijk de andere kant op te kijken in de ijdele hoop dat het probleem als vanzelf zal verdwijnen.

Nu fundamentele vragen weer in vergetelheid raken en doeltreffende antwoorden uitblijven, stampt de machinerie van de ambtelijke voorbereiding ongehinderd voort. Het Europa van de toekomst zal daarvan waarschijnlijk de kenmerken dragen. Het zal een uitgebreid Europa zijn, maar toelating zal minder het gevolg zijn van een harmonische visie op dat vergrote Europa als wel van de interne en externe machtsverhoudingen op een bepaald moment. Tegelijkertijd is het voorstelbaar dat Europa over zijn eigen kaart schuift als een waddeneiland over de zandbodem: wat aan de ene kant aanslibt gaat elders weer verloren. Of dat met een of meer snelheden gebeurt, is minder interessant.

Het Europa van Maastricht was, ondanks het Nederlandse voorzitterschap, het Europa van Kohl en Mitterrand. Veel was opgeofferd om de in aanleg uiteenlopende Duitse en Franse visies op een verenigd Europa met elkaar te versmelten. Het resultaat was een onnavolgbaar mengsel van bovenstatelijke en intergouvernementele elementen waarin bovendien onoplosbare brokken ronddreven van Britse, Deense en Ierse eigenzinnigheid.

Inmiddels hebben zich jongere Duitse politici gemeld met nieuwe voorkeuren. Minister van defensie Volker Rühe probeert met zijn pleidooien voor uitbreiding van de NAVO oostwaarts een nieuw Atlantisch feit te scheppen - overigens zonder dat er Amerikaans applaus opklinkt. Tegelijkertijd zoekt hij internationaal meerwaarde door middel van Duitse deelneming aan vredesoperaties van de Verenigde Naties. Parallel daaraan zet Klaus Kinkel, minister van buitenlandse zaken en leider van de liberalen, zich in voor Duitslands permanente lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad. De Europese prioriteit in de Duitse politiek is door deze initiatieven dubieus geworden. Wat in Parijs wordt geregistreerd.

Het Duitse constitutionele hof heeft deze week zijn goedkeuring gehecht aan het Verdrag van Maastricht. De klagers wier argumenten varieerden van "zo niet' tot "nooit', moesten het doen met een rechterlijke belofte van verhoogde waakzaamheid. "Maastricht' is voorlopig gered. Maar klaarheid over het Europa van straks is daarmee nauwelijks gegeven. Die ontstaat als gebruikelijk pas weer wanneer de ambtelijke bezigheden zijn afgerond.