Derden wisten niets; Voor de banken was DAF eind '91 al failliet

AMSTERDAM, 14 OKT. Al eind november 1991 zijn de banken die betrokken waren bij de financiering van het inmiddels failliete oude DAF begonnen met de voorbereiding van de verpanding van alle zekerheden van het vrachtautoconcern. De banken kregen toen de cijfers van DAF over het derde kwartaal '91 onder ogen en die bleken aanmerkelijk ongunstiger dan eerder door DAF uitgesproken verwachtingen.

Dit vertelde gisteren mr. P.J. Kalff, lid van de raad van bestuur van ABN Amro, in een getuigenverhoor voor de rechtbank in Amsterdam dat gaat over de rechten van de obligatiehouders van DAF.

Andere beleggers en belanghebbenden wisten in het najaar van '91 nog van niets. Hun was in augustus door DAF nog verteld dat het bedrijf in het laatste kwartaal van dat jaar weer zonder verlies zou draaien. Pas in maart '92 meldde DAF op een persconferentie dat de cijfers over '91 veel ongunstiger waren uitgevallen dan was verwacht.

Oud DAF-topman ir. A. van der Padt liet twee weken geleden tegenover de Amsterdamse rechtbank weten dat de verpandingsactie van de banken, gerealiseerd in 19 februari '92, voor hem als “ een volslagen verrassing” kwam. Kalff noemde dat gisteren “onjuist”. “Vanaf eind november '91 zijn we met medeweten van en in samenwerking met mensen van DAF bezig geweest met de voorbereiding van de verpanding.”

De verpanding van de zekerheden gebeurde nadat één van de betrokken banken - de Britse National Westminster Bank - een betaling namens DAF had geweigerd. ABN Amro-bestuurslid Kalff zei gisteren dat de banken in zo'n geval “elkaars hand vasthouden”. “Als één van de banken uit het consortium niet meer meedoet, willen de overige banken dat ook niet meer.” Toen de National Westminster Bank de betaling weigerde, werd DAF onmiddellijk gedwongen alle zekerheden aan de banken over te dragen.

DAF voldeed in november '91 niet meer aan twee ratio's van de in juli '91 al aangepaste financieringsovereenkomst met de banken. Ook in het voorjaar van '91 bleek de truckfabrikant al niet meer te voldoen aan een van de eisen die de banken aan de kredietverlening hadden gesteld. DAF haalde toen de "interest coverage ratio' niet meer, het rendement op het eigen vermogen was te klein geworden in verhouding tot de renteverplichtingen. Hierdoor werd overleg noodzakelijk over voortzetting van de financieringsovereenkomst. In juli werd met het oog daarop de financieringsovereenkomst aangepast, waarbij de banken het recht kregen om de zekerheden te stellen. Op dat moment zagen de banken daar echter nog van af.

Kalff zei zich niet meer te kunnen herinneren of bij de besprekingen op 19 februari '92 de positie van de obligatiehouders ter sprake was gekomen. Van der Padt heeft eerder verklaard in die gesprekken wel degelijk de indruk te hebben gekregen dat de obligatiehouders in gelijke mate zouden meedelen in alle zekerheden, dus ook die van de dochtermaatschappijen van DAF NV. De banken stellen zich op het standpunt dat de obligatiehouders alleen recht hebben op de zekerheden van de holding. Maar die bezit nog uitsluitend waardeloos geworden aandelen van de dochterbedrijven, omdat alle activa al naar de banken zijn gegaan.

De tekst van het prospectus bij de uitgave van de obligatielening in mei 1988 is geheel voor rekening van de uitgeefster van de lening, Daf NV, stelden zowel Kalff als een andere ABN Amro-bestuurder, W. Jiskoot. In het prospectus staat dat de obligatiehouders in gelijke mate zullen delen in de zekerheden van DAF.

De Amerikaan Gary Klesch, die de actie namens de obligatiehouders DAF heeft aangespannen en 50 miljoen gulden van de obligatielening van 150 miljoen gulden vertegenwoordigt, zei na afloop dat het beleggend publiek waarschijnlijk niet blij zal zijn met dat standpunt. “Want de bank kan dus niet worden aangesproken op informatie in het prospectus dat zal verschijnen bij de plaatsing van aandelen Koninklijke PTT Nederland”. De staat heeft deze week ABN Amro uitgekozen als lead-manager bij het naar de beurs brengen van KPN.

Klesch en zijn advocaat beraden zich op verdere stappen. Zij overwegen nog of het zin heeft nieuwe getuigen voor verhoor op te roepen of dat zij meteen een civiele procedure aanspannen om de rechten van de obligatiehouders op te eisen. Onduidelijk is nog steeds wie namens de banken het bestuur voerde over de stichting (Ofasec genaamd) waarin alle zekerheden bij DAf zijn ondergebracht.