De wraak op twee "klikspanen'

De overplaatsing van twee fraudebestrijders heeft in de Verenigde Staten veel beroering gewekt. Met de overplaatsing hebben de NIH Stewart en Feder monddood gemaakt. Maar het is de vraag of de regering Clinton dit ongestraft kan doen.

Ze hadden er niet om gevraagd en ze waren er niet gewenst. Toch werden ze onlangs door de regering Clinton onverwachts uit hun functies bij de National Institutes of Health gezet en ergens anders geparkeerd: dr. Ned Feder (65) en Walter Stewart (48), de onvermoeibare Amerikaanse "wetenschapsdetectives'. Hun namen zijn vooral bekend geworden doordat ze enkele jaren geleden ondanks krachtig verzet uit wetenschappelijke kringen het ernstigste geval van wetenschappelijke fraude uit de Amerikaanse geschiedenis aan het licht brachten.

Deze affaire speelde zich af op het prestigieuze Massachusetts Institute of Technology. Onderzoekers van dit instituut publiceerden in april 1986 in het tijdschrift Cell een artikel over immunologisch onderzoek bij muizen dat ze nooit gedaan konden hebben zoals ze het beschreven. De zaak werd aangekaart door een jonge promovenda van het instituut, Margot O'Toole, die daarmee haar loopbaan in rook zag opgaan. Coauteur van het gewraakte artikel was Nobelprijswinnaar David Baltimore, die zelf nooit van fraude beschuldigd is, maar er wel alles aan deed om de zaak in de doofpot te stoppen, zoals bleek uit de naspeuringen van Feder en Stewart. ""Het werd hoog tijd dat de regering hun de mond snoerde,'' was het commentaar van Baltimore kort nadat het tweetal uit hun functies bij de National Institutes of Health was gezet.

Stewart en Feder waren al tien jaar de luizen in de pels van de academische bureaucratie. Ze hebben vele onderzoekers geholpen om gevallen van fraude aan het licht te brengen. Hun hulp was doorslaggevend in een aantal geruchtmakende zaken, waaronder de genoemde affaire-Baltimore. Officieel was het duo niet aangesteld om fraude de bestrijden, lange tijd bestond hun eigenlijke werk uit onderzoek naar het zenuwstelsel van de huisjesslak. Op den duur echter vond hun initiatief bij de autoriteiten erkenning en kwam er een officieel bureau om fraude op te sporen, het Bureau voor Wetenschappelijke Integriteit.

Met dit bureau werkten Stewart en Feder wel eens mee samen, maar meestal keken ze vol afgrijzen toe. Want maar al te vaak trad het bureau op als een schertstribunaal, dat fraude juist hielp verdoezelen en de aanklagers zwart maakte.

In de twee bekendste gevallen waarin het bureau toch nog achter de waarheid dreigde te komen (in de kwestie-Baltimore en bij de omstreden AIDS-test van Gallo), ontsloeg de directeur van de National Institutes of Health (NIH) de belangrijkste opsporingsambtenaar voordat ze haar werk had kunnen voltooien. De NIH heeft namelijk als taak om fondsen ter beschikking te stellen voor medisch onderzoek en slaat een slecht figuur als bekend wordt dat dat geld belandt bij onderzoekers die "resultaten' zelf verzinnen of met andermans bevindingen scoren.

Geschiedenis

Ironisch genoeg was de aanleiding voor het plotselinge ontslag van Stewart en Feder het feit dat ze na tien jaar even ophielden met het onthullen van pijnlijke feiten omtrent medisch onderzoek. Een maand lang verlegden ze hun aandacht naar een ander terrein, naar geschiedenis. Ze hadden een computerprogramma geschreven om plagiaat in medische publicaties op te sporen, en wilden dat testen op Stephen Oates' biografie van Abraham Lincoln, With Malice Towards None. De NIH stelden daarop, dat Stewart en Feder ""zich steeds verder buiten het werkterrein van hun afdeling hadden begeven.'' Reden om ze definitief de mond te snoeren.

Oates' boek was door het duo als testmateriaal gekozen omdat deze biograaf volgens historici stukken had overgeschreven uit een boek van Benjamin Thomas. Stewart en Feder lieten hun chef weten zeer benieuwd te zijn of hun nieuwe computerprogramma in staat was ""deze nogal subtiele passages op te sporen, waar geleerden honderden uren aan hadden besteed.''

De commissie die eerder door de American Historical Association was ingesteld om de klachten te onderzoeken, had zelf het woord plagiaat niet gebruikt, maar wel vastgesteld dat Oates' boek ""in zo sterke mate teruggrijpt op het eerdere werk dat zorgvuldiger bronvermelding nodig was geweest''.

Stewart en Feder gingen verder en verweten Oates ""een uitermate interessant soort plagiaat''. Ze beweerden dat hun programma meer dan honderd woordenreeksen had gevonden die overeenkwamen met passages in het boek van Benjamin Thomas, maar ""onderverdeeld in uiterst korte zinswendingen''.

Oates wijst alle aantijgingen woedend van de hand, en veel trouwe aanhangers van Stewart en Feder staan ditmaal aan de kant van Oates. Want veel aantijgingen waren nogal flauw. Een zinnetje als ""Lincoln legde zijn handen op Stantons schouders'' - door Stewart en Feder als plagiaat aangemerkt - kun je nu eenmaal moeilijk anders formuleren.

Oates schreef een protestbrief aan een verre opvolger van Lincoln in de Amerikaanse Senaat, Paul Simon uit Illinois. Deze reageerde tot ieders verrassing met een brief aan de NIH, waarin de senator liet weten dat hijzelf ""het enige boek over Lincolns jaren in het parlement van Illinois'' had geschreven. ""Het ontgaat mij ten enen male'', zo betoogde de senator, ""wat het optreden van deze twee heren met het werk van de NIH van doen heeft.''

Geheim draaiboek

Blijkbaar was de uitspraak van de senator de directe aanleiding om beide fraudebestrijders over te plaatsen. Dat gebeurde op 9 april van dit jaar, maar de NIH hadden er al sinds vorig najaar een geheim draaiboek voor klaarliggen. Al op 15 september 1992 schreef de chef van het duo een officieel, vertrouwelijk memorandum over een "plan tot overplaatsing' van het tweetal. In het memo staat uitdrukkelijk: ""mij is verzekerd'' dat de directeur van de NIH ""van het besluit op de hoogte was''. Dat waren Stewart en Feder natuurlijk niet. Volgens het vertrouwelijke memorandum zou het plan een half jaar worden opgeschort en pas na de presidentsverkiezingen worden uitgevoerd.

Stewart en Feder waren verbijsterd. Drie weken tevoren nog hadden de NIH hun 9.500 dollar aan nieuwe computerapparatuur toegezegd voor hun jacht op plagiaat. Beiden waren bij officiële werkevaluaties, waarvan de laatste plaatsvond twee weken voor hun ontslag, steevast als ""uitmuntend'' beoordeeld.

Bovendien bleek, dat Stewart en Feder een lik-op-stukbehandeling kregen in plaats van de normale procedure zoals in andere affaires. Zo verscheen in diezelfde tijd een NIH-rapport waarin een groep mannelijke chefs ervan beschuldigd werd vrouwelijke ondergeschikten bij promoties voor te trekken in ruil voor seksuele gunsten. Werden deze heren nu door hun werkgever, de NIH, - waar vrouwen topposities bekleden - onmiddellijk overgeplaatst naar functies waar verder machtsmisbruik was uitgesloten? Welnee. Zoals Diane Armstrong, chef van het bureau Gelijke Behandeling bij de NIH, tegenover The Washington Post verklaarde: ""We kunnen pas tot actie overgaan als we over informatie in de juiste vorm beschikken... De voorgeschreven procedures moeten worden gevolgd.''

Hierop schreef de beroemdste Amerikaanse fraudebestrijder, Ernest Fitzgerald, aan senator Simon: ""Hoe is het mogelijk dat het fraude-team Feder en Stewart zo maar standrechtelijk wordt opgeheven, terwijl het procedureel onmogelijk is om een door de belastingbetaler gesponsorde seks-bende op te rollen door de betrokkenen over te plaatsen?'' Omdat de senator een boek had geschreven over de president die de slaven had bevrijd, voegde Fitzgerald hier nog aan toe: ""De willekeurige manier waarop onze gevestigde politieke orde zich al dan niet om procedures bekommert ontmoedigt mij keer op keer.''

De NIH gaven opnieuw blijk van hun selectieve verontwaardiging toen ze verklaarden dat toepassing van de automatiseche plagiaat-detector van Stewart en Feder op een geschiedkundig werk ""buiten het werkterrein'' van de NIH viel. Dit terwijl diezelfde NIH druk bezig was met voorbereidingen voor een congres over "plagiaat en diefstal van gedachtengoed', deels gewijd aan literatuur en wetenschap, inclusief historische aspecten. Tot de panelleiders behoorden prominente historici, waaronder de vice-directeur van de American Historical Association, die het oorspronkelijke onderzoek tegen Oates had ingesteld.

Een andere prominente spreker, verbonden aan de universiteit van Illinois, vertelde uitvoerig hoe ze met behulp van Feder en Stewarts computerprogramma het werk had geanalyseerd van twee medewerkers aan haar universiteit die van plagiaat waren beschuldigd. Ongetwijfeld hadden de deelnemers aan de conferentie Stewart en Feder graag zelf zien optreden, maar de NIH verboden hen om officiële lezingen te houden. Toen ze kort daarvoor toestemming vroegen om op een ander symposium over hun computerprogramma te spreken, had een functionaris van de NIH ""Afgewezen - valt buiten kader van NIH'' op hun brief gekalkt.

Maar het tweetal bevond zich wel onder het publiek en werd daar omstuwd door tientallen mensen die zij de afgelopen tien jaar hadden geholpen om fraude en plagiaat aan de kaak te stellen en die nu woedend een verklaring eisten van NIH-vertegenwoordigers: waarom waren Stewart en Feder gestraft voor precies het soort werk dat de NIH en het ministerie van volksgezondheid nu juist goedkeurden en aanmoedigden? Dat lijkt bijzonder eigenaardig, zo niet regelrecht onbillijk, zo schreven Stewart en Feder aan de inmiddels van alle kanten belaagde senator Simon.

Adhesie-brief

Vanaf het moment dat het speurdersduo gescheiden en overgeplaatst werd, sprongen zo'n dertig vooraanstaande wetenschapsmensen voor hen in de bres en houden stug vol, ook al hebben sommigen zich expliciet gedistancieerd van de kwestie-Oates. Zo drong Paul Doty, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Harvard, er in een adhesie-brief bij het ministerie op aan dat de overplaatsing ongedaan zou worden gemaakt. Maar hij voegde daaraan toe: ""de "plagiaat-machine' was nogal slecht doordacht, want in de wetenschap bestaat plagiaat uit diefstal van gedachtengoed en nieuwe gegevens, en niet van zinsneden.''

Tot de topwetenschappers die het tweetal steunden behoorde Nobelprijswinnaar Linus Pauling. Ook Margot O'Toole, die door het tweetal geholpen was in de affaire-Baltimore, schreef een aantal brieven. Steun kwam eveneens van Robert Sprague, die zelf veel te verduren had gehad toen hij misstanden aankaartte rond geestelijk gehandicapte kinderen in een inrichting. Al deze respons staat in schril contrast tot de reactie op de zaak Baltimore, toen de meest assertieve wetenschappers juist trachtten de zaak in de doofpot te stoppen.

Hongerstaker

Alle protesten ten spijt nam de pers aanvankelijk nauwelijks nota van het gebeurde, totdat Stewart een publiciteitsstunt bedacht: hij ging in hongerstaking. John Maddox, hoofdredacteur van Nature, schreef een paginagroot, zeer welwillend artikel onder de kop: ""Geef de hongerstaker een kans''. De vetgedrukte ondertitel luidde: ""Hongerstaking is geen fatsoenlijk pressiemiddel.'' Maar vervolgens is Maddox vol lof over Stewart en Feders wetenschappelijke detectivewerk, al zou er misschien stringenter toezicht moeten zijn. ""Het zou spijtig zijn als ze hun werk niet kunnen voortzetten,'' besloot hij.

The New York Times kwam pas met een hoofdartikel toen Stewart in hongerstaking ging. Onder de kop ""Wraak op twee klikspanen'' werd zedig gesteld: ""Het is grotesk wanneer de heer Stewart naar het middel van de hongerstaking grijpt om zijn persoonlijke gram te halen.'' Maar het hoofdartikel pleit er wel voor dat ze hun jacht op wetenschapsfraude althans ten dele mogen voortzetten: ""Ten slotte verrichten zij het speurwerk dat de NIH en andere wetenschappelijke instanties al jaren jammerlijk verknoeien.''

Stewart beëindigde zijn hongerstaking na gedurende 33 dagen elke dag een pond te zijn afgevallen. De Democratische senator voor Arkansas, David Pryor, die bevriend is met president Clinton, was tussenbeide gekomen. Hij pleitte ervoor, dat de twee hun speurwerk zouden kunnen hervatten, zij het wellicht onder scherper toezicht van de NIH.

Voorlopig staan beiden nog altijd op non-actief. Ze hebben hun zenuwcentrum ingericht in Feders huiskamer, waar ze alles in het werk stellen om hun baan terug te krijgen. Tien jaar hebben ze zich weten te handhaven onder Republikeinse regeringen die volgens velen tot de corruptste uit de geschiedenis van de VS behoorden, maar binnen vier maanden na het aantreden van de nieuwe Democratische regeringsploeg konden ze hun biezen pakken.

Het stond wel vast dat ze zich evenmin buiten het ""werkterrein van de NIH'' hadden begeven als de NIH zelf, de ware reden van hun ontslag blijft dus een bureaucratisch mysterie.

Oorspronkelijk logboek

Donna Shalala, de nieuwe minister van volksgezondheid en welzijn, is verantwoordelijk voor het al dan niet ongedaan maken van de overplaatsing. Shalala was tot aan haar benoeming rector van de universiteit van Wisconsin, waar in 1990 een andere fraude-affaire speelde. Tegen twee top-researchers werd een onderzoek ingesteld wegens vermeende misstappen bij een door de NIH medegefinancierd project. Beiden werden van blaam gezuiverd. Dat wekte echter juist de argwaan van de NIH, die een eigen onderzoek liet instellen. Daarbij bleekeen oorspronkleijk logboek van een van beide onderzoekers van cruciaal belang.

Shalala werkte het NIH-onderzoek tegen en weigerde het logboek af te staan. Een directe detailanalyse - zoals die in de kwestie Baltimore de waarheid aan het licht had gebracht - was daarmee onmogelijk geworden. De NIH lieten de universiteit zelfs per brief weten dat ze de zaak "wegens het weigeren van medewerking' in handen zouden geven van hun inspecteur-generaal. Juridisch geharrewar in een andere kwestie en bureaucratisch tumult binnen de NIH zelf leidden er echter toe dat de zaak verzandde.

Aan dit alles was een civielrechtelijk proces voorafgegaan, waarbij Stewart en Feder als onbezoldigde getuigen-deskundigen waren opgetreden. Beide speurders hadden honderden uren besteed aan het nauwgezet bestuderen van alle documenten, in het bijzonder het omstreden logboek.

Tijdens de hoorzitting in de Senaat die aan Shalala's benoeming tot minister voorafging, haalde de Washington Post een uitspraak van Stewart aan: ""De universiteit heeft extra moeite gedaan om het schandaal in de doofpot te stoppen en welbewust de ogen gesloten voor evidente misstappen.''

Zeer dubieus is dat de NIH bij de overplaatsing van Stewart en Feder al hun documentatie in beslag heeft genomen, waaronder twintig dozen met unieke fotocopieën betreffende de Wisconsin-zaak.

Wellicht komt er toch nog opheldering in de Shalala-affaire, want de militant-conservatieve Republikeinse senator Trent Lott rook bloed. Op 23 juni schreef hij een brief aan Shalala, waarin hij een aantal zeer gedetailleerde vragen stelde omtrent de overplaatsing van Stewart en Feder en de mogelijke samenhang daarvan met het onderzoek aan haar oude universiteit.''

Tenzij er snel een eind aan deze kwestie komt en het tweetal in ere wordt hersteld, zullen andere onderzoekers straks hun mond niet meer open durven doen als ze fraude constateren. Dat zou veel functionarissen zonder twijfel goed uitkomen. Maar de zaak zou ook kunnen uitgroeien tot een nieuw landelijk onderzoeksspektakel, dat de regering Clinton meer dan ooit in verlegenheid zou kunnen brengen.

    • Vertaling René Kurpershoek
    • Robert Bell
    • R. Bell