"Crimineel web' in Haags welzijnswerk

DEN HAAG, 14 OKT. Een “misgroeide” man. Een dominant karakter dat zonder scrupules zijn salaris tot “exorbitante hoogte” optrok, maar zich uiterst kleingeestig toonde zodra collega's zijn “criminele web” aan de kaak stelden. “Hij probeerde dwarsliggers systematisch medeplichtig te maken. Als dat niet lukte zette hij ze buitenspel.”

Zo schetste de Haagse officier van justitie mr. F. de Groot gisteren het karakter van drs. J.J.H. R., de voormalige directeur van een van 's lands grootste welzijnskoepels, de Stichting Haags Sociaal-cultureel werk (SHS). De officier eiste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar wegens diefstal, verduistering, oplichting en valsheid in geschrifte. R. hield hardnekkig vast aan zijn onschuld.

Een kleine twee jaar onderzoek van politie en justitie hadden, zo bleek gisteren op de zitting, het beeld van R. als meesterfraudeur enigszins gecorrigeerd. Wegens onvolledige administraties kon niet achterhaald worden hoeveel gemeenschapsgeld door toedoen van R. oneigenlijk was aangewend. Het openbaar ministerie legde hem voornamelijk kleinere vergrijpen ten laste, samen optellend tot circa tweeëneenhalve ton. De officier van justitie en ook de Haagse rechtbankpresident L. Verheij benadrukten evenwel dat hiermee slechts een dwarsdoorsnede van zijn praktijken werd gepresenteerd.

Het was niettemin een inzichtelijk lijstje. De ambiance bij de SHS - waar jaarlijks zo'n vijftien miljoen gulden omging - stond het toe dat medewerkers en bestuursleden subsidiegeld kregen toegstopt opdat ze zich een nieuwe auto dan wel motorfiets konden aanschaffen; een Haagse restauranthouder kon een lening van 30.000 gulden ontvangen, die hij ten dele mocht vergoeden door R. en zijn vrienden maaltijden aan te bieden; privéreizen naar de VS en Azië werden als zakenreis door de SHS vergoed.

Controle van de gemeente ontbrak, ook omdat R. zo verstandig was overgebleven subsidiegelden te “parkeren” bij een onbekende steunstichting. “Om leuke dingen te doen”, zo verklaarde een SHS-bestuurslid aan de politie. “Leuke én nuttige dingen”, meende R.

Dat hij echter meer was dan alleen een kleine krabbelaar, bleek uit de wijze waarop hij zijn persoonlijke financiën regelde. In drie maanden tijd wist hij zijn salaris van schaal 15 naar schaal 18 op te trekken; bij vonnis van de kantonrechter werd hij al gesommeerd de 60.000 gulden terug te betalen die hij daarmee oneigenlijk verwierf. En toen hem begin jaren negentig duidelijk werd dat de gemeente de SHS wilde opheffen, waarmee ook zijn functie zou vervallen, eigende hij zich alvast een “voorschot” van honderdduizend gulden wachtgeld toe. Hij stortte het geld later terug en wees erop dat hij bovendien tien procent rente vergoedde. Rechtbankpresident Verheij was niet onder de indruk. Met een opmerkelijke felheid beet hij R. toe dat een “dief die zijn daad later rechtzet een dief blijft”.

Het verweer van R.'s raadsman mr. J. Italianer was van juridisch-technische aard. Dat wekte weinig verbazing, omdat justitie lange tijd heeft geworsteld met de bewijslast tegen R. Officier van justitie De Groot beklaagde zich erover dat R. de waarheid voortdurend verdraait en eerdere verklaringen veelvuldig bijstelde. “Het is zijn stijl. Een snoepreis wordt een zakenreis. Een cadeau wordt een gratificatie. Een gift op oneigenlijke gronden wordt ineens een lening. Maar wat krom is kan niet recht worden gepraat.”

R. zelf leverde forse kritiek op de gemeente. Volgens hem zijn er bij de SHS zaken gebeurd die in “heel Den Haag” lange tijd tot de bestuurlijke mores behoorden. Veelvuldig zouden gemeente-ambtenaren de reizen hebben meegemaakt waarvoor hij later werd gekapitteld. Hij stelde te zijn geslachtofferd omdat de gemeente van de SHS afwilde. Welzijnswerkers die zijn zakelijke aanpak van het werk - R. vergeleek zich graag met een directeur van Shell - niet konden bijbenen, zouden daarbij uit revanchisme behulpzaam zijn geweest. Bovendien zou de politie hem tijdens langdurige verhoren in januari 1992 hebben gemanipuleerd. “Ik heb nooit de intentie gehad misdrijven te plegen”, aldus R.

Hij presenteerde zich als een berooide man. Terwijl hij januari 1992 achter de tralies zat, kreeg hij per brief ontslag op staande voet aangezegd. Zijn financiële toestand zou deplorabel zijn. “Ik wil graag een eigen bedrijfje beginnen”, zei hij. “Maar als dit fout loopt, kan ik dat ook vergeten.” Hij noemde de eis van de officier “schokkend maar niet verbazend”: volgens R. is justitie van stond af aan op zijn hoofd uit geweest. Hij bood overigens aan een eventuele straf op alternatieve wijze te vervullen. Aanstaande welzijnswerkers zou hij “management en financiën” willen doceren.

Als de rechtbank op 27 oktober uitspraak doet, staat niet alleen R.'s toekomst op het spel. De Haagse wethouder A. van Kampen, die de zaak mede aanzwengelde toen ze begin 1991 aangifte van fraude deed, verklaarde vorig jaar in Elsevier dat ze “een probleem” heeft als de ex-directeur vrijspraak krijgt. Officier van justitie De Groot maakte gisteren nauwelijks verholen duidelijk dat hij dit een merkwaardige opstelling vindt. “Een overheidsdienaar die een vermoeden van fraude heeft, voldoet slechts aan zijn burgerplicht als hij aangifte doet. Ik begrijp werkelijk niet dat uit het doen van een aangifte soms zulke zware consequenties worden verbonden”, aldus De Groot.

    • Tom-Jan Meeus