Amsterdams computermuseum geopend; Ponskaarten blijven je ware

Bezoek aan het Computermuseum is mogelijk op afspraak: 020- 5257463. Donaties van apparatuur, accessoires en andere benodigdheden worden zeker in overweging genomen.

Hoe ging het ook weer vroeger: de universiteit had een computer. Er waren verschillende mogelijkheden om toegang tot deze machine te krijgen. Hier en daar stonden terminals, een soort telexapparaten. Daarmee kon je op afstand gegevens invoeren, programma's draaien en eventueel je kostbare files op ponsband zetten. Je eigen invoer en de eventuele reactie van de computer kwamen niet op een beeldscherm maar werden afgedrukt op kettingformulieren. Er moest natuurlijk wel een terminal vrij zijn.

Een andere manier was het maken van ponskaarten. Op elke ponskaart ging één regel van je bestand of programma. Een stapel kaarten die een job vertegenwoordigde kon je inleveren aan het loket en een dag later kon je de papieren output ophalen. Het elimineren van programmeerfouten was een Sisyphusarbeid en talrijk waren de anekdotes over collega's die met twee decimeter kaarten buiten in een herfststorm waren gestruikeld. Vroeger is nog geen twintig jaar geleden.

Vroeger herleeft in de Watergraafsmeer bij Vakgroep Computersystemen van de Universiteit van Amsterdam. Daar opende afgelopen zondag zonder veel ophef het nieuwe Computermuseum zijn deuren. Of liever: zijn deur. Het museum heeft maar één flinke kamer tot zijn beschikking en met de huidige collectie is dat genoeg. Wat de belangstelling betreft had de accomodatie groter mogen zijn. Het Computermuseum profiteerde volop mee van de toeloop op de open dag van de universiteit. Whiz kids wurmden zich achter toetsenborden om te pogen met een onbekend besturingssysteem te communiceren. Grijze hoofden vertelden hun vrouw dat ze daar nog mee hadden gewerkt. En schoolkinderen schuifelden in volmaakt onbegrip langs de manshoge kasten.

Echte dinosaurussen

Amsterdam is niet de enige plaats in Nederland waar men ouderwetse computers kan bekijken. In Delft, bij de werkgroep Geschiedenis der Elektrotechniek van de TU Delft staan de echte dinosaurussen. Bijvoorbeeld de Testudo (Schildpad), een rond 1950 in Nederland ontwikkeld programmeerbaar rekenapparaat dat niet met transistoren werkte en evenmin met buizen, maar met relais: elektromechanische schakelaars. Dat moet een heel geratel zijn geweest. Ook in Delft staan verschillende modellen van de Zebra (Zeer Eenvoudig Binair Reken Apparaat), die vanaf het midden van de jaren '50 in een buizenversie en een transistorversie commercieel verkrijgbaar was. Volgens conservator Brands werd de Zebra ingezet voor problemen die voordien naar Japan werden verscheept, waar "zalen vol Japanners' eraan zaten te rekenen tot de uitkomsten naar Nederland teruggestuurd konden worden. De Zebra had de omvang van een archiefkast en nog niet eens de vermogens van de gemiddelde zakjapanner van tegenwoordig, al was hij wel programmeerbaar.

Zulke pronkstukken ontbreken vooralsnog in Amsterdam. Maar Brands in Delft zou zijn machines "niet graag meer aanzetten', terwijl bij het Amsterdamse Computermuseum het de bedoeling is dat alles werkt. Daar is bijvoorbeeld de Apple II, die in 1976 het tijdperk van de microcomputer inluidde (werkgeheugen 64 Kilobyte, prijs in 1983: 10.000 gulden). En daar is de PDP 11/40, een "minicomputer' model linnenkast uit 1973.

"Toen ik die inschakelde stegen er letterlijk rookwolken uit op,' zegt de bedenker van het Computermuseum, universitair hoofddocent dr. Edo Dooijes. "Gelukkig heb ik in het depot nog een tweede PDP 11 staan, als onderdelenreservoir.' Rekensnelheid en werkgeheugen van de reusachtige machine zijn ongeveer een veertigste van die van een moderne PC. In 1973 kostte hij ruim 61.000 gulden en hij is tot 1992 (!) in gebruik geweest bij het universitaire rekencentrum SARA.

Beeldtrucage

De PDP is omringd door een verzameling randapparatuur die weemoedig stemt. Behalve een Teletype terminal (met printeruitvoer en ponsbandvoorzieningen, zoals beschreven in de aanhef van dit artikel) staat er een kaartenponsmachine en een ponskaartenlezer. Beide zijn tot in de tweede helft van de tachtiger jaren gebruikt.

De Flexowriter lijkt het resultaat van een gehaaide beeldtrucage. Het is een antieke mechanische schrijfmachine compleet met hamertjes, met daarbij voorzieningen voor het produceren van een ponsbandversie van het getypte. Via een kloeke bus kan het geheel op een computer worden aangesloten. De Flexowriter léést ook ponsband.

Een paar ontroerende kleinigheden liggen in een vitrinekast: een handcodeerapparaat voor ponsband, reparatiemateriaal en een opwindhaspeltje. Verder heeft Dooijes verschillende mechanische en elektromechanische rekenmachines uit de vijftiger jaren, die vermenigvuldigen door herhaald op te tellen en delen door herhaald af te trekken. Rekenen was vroeger een lawaaiige aangelegenheid en is dat in het Computermuseum nu weer. Er staan bureaugrote voorlopers van de elektronische rekenmachine. En een tafelcomputer van Hewlett Packard, een voorloper van de micro, met twee cassettedrives, een ingebouwde printer èn een beeldscherm.

Een kleine revolutie was rond 1975 de grafische terminal van Tektronix. Een monitor zoals tegenwoordig gebruikelijk schrijft 60 of 70 keer per seconde de inhoud van een geheugen op het scherm. Een grafische monitor met een redelijke scherpte vereist hondderdduizenden beeldpuntjes en dus een geheugen van honderden Kilobytes. Dat was destijds veel te duur en grafisch werk op een computer was uitgesloten tot Tektronix een scherm uitvond waarop een plaatje één keer door een elektronenstraal werd getekend (dat kon wel een minuut duren) om vervolgens continu zichtbaar te blijven. Als het beeld langer dan een kwartier bleef staan liep het scherm onherstelbare schade op. De terminal alleen, zonder computer dus, kostte 20.000 gulden.

Slingerbeweging

Tenslotte heeft Dooijes nog een analoge computer. Dat is, grof gezegd, een grote bouwdoos met losse elektronische componenten. Op een analoge computer kun je een wiskundig probleem simuleren. Bijvoorbeeld de vergelijkingen van een slingerbeweging of van een stuiterende bal, maar bij voorkeur veel ingewikkelder vraagstukken. Je maakt gewoon een elektronische schakeling die aan overeenkomstige formules voldoet. Je verbindt daartoe de juiste weerstanden en condensatoren met elkaar door draden te steken in een bord dat doet denken aan een ouderwetse telefooncentrale.

De output bestaat uit elektrische spanningen die analoog zijn aan de gezochte grootheden uit het probleem, bijvoorbeeld de uitwijking of de snelheid van de slinger. Deze kunnen worden geteken door een plotter.

Het grappige van de analoge computer is dat de rekentijd praktisch nul is. De schakeling functioneert onmiddellijk. De bedrading van de "telefooncentrale' is te vergelijken met het programma van een digitale computer. Omdat het samenstellen van dit "programma' nogal tijdrovend was, kon het hele bord met bedrading en al worden weggenomen waarna een ander er zijn bord met draden voor in de plaats kon zetten. De analoge computer van het Computermuseum stamt uit 1970 en kostte destijds een miljoen gulden.

Stoppen doorslaan

In strijd met de ideologie van Dooijes' museum werkt de analoge computer nog niet. Voorlopig is dat maar goed ook, want dit apparaat en de PDP samen zouden de stoppen doen doorslaan. Aansluiten op een andere groep zou kunnen, maar dan zou de warmteontwikkeling het publiek naar buiten jagen. Waarom vindt Dooijes eigenlijk dat alles moet functioneren? "Als het niet werkt, is het een lege façade. Dan kun je net zo goed een lege doos neerzetten met lampjes aan de voorkant. En als je kijkt hoe zo'n apparaat werkt, met het doel om het aan de praat te krijgen, dan word je gedwongen je te verdiepen in de redenen die mensen hebben gehad om het zo in elkaar te zetten. Ik ben nieuwsgierig daarnaar. Maar ik voel ook een zekere verantwoordelijkheid om dit deel van onze cultuur in stand te houden. Veel mensen weten bijvoorbeeld niet meer dat er ooit analoge computers hebben bestaan. Als die machine het niet doet, dan zeggen ze "o' en gaan over tot de orde van de dag. Doet-ie het wel, dan raken ze geïnteresseerd.'

Voor Dooijes is het een liefhebberij. Van de universiteit heeft hij een eenmalig budget gekregen van 5000 gulden. 2000 daarvan was nodig voor de aanschaf van de vitrine. Dooijes verzamelt en repareert de machines in zijn vrije tijd. "Niet alle collega's zijn ervan overtuigd dat dit nuttig werk is. Die hebben de ogen meer op de toekomst gericht,' zegt hij effen. Maar een zeker nut is al gebleken. Een architectenbureau heeft gevraagd gebruik te mogen maken van de ponskaartlezer. Dooijes: "Ze hadden zelfgemaakte programmatuur op magnetische tape staan, maar die tape was niet meer te lezen. Magneetband demagnetiseert spontaan en heeft bovendien de neiging te gaan kleven. Wij hebben er ook tientallen moeten weggooien. Gelukkig hadden ze hetzelfde nog op ponskaarten. Ponskaarten is je ware. Dat blijft altijd goed, tenzij het nat wordt. Ze nemen alleen veel ruimte in: een stapel van een meter komt geloof ik overeen met een ouderwetse floppy van 360 kilobyte.'

Mooie trucs

Als computer-archeoloog heeft Dooijes groot respect voor de technieken van vroeger. "De geheugens waren beperkt, maar juist daardoor zijn er mooie trucs bedacht om die beperkte ruimte efficiënt te gebruiken. Virtueel geheugen bijvoorbeeld: als je geheugenplaatsen adresseert die er niet zijn, dan zorgt de computer er voor dat de betreffende informatie vanzelf naar het uitwendige geheugen gaat, bijvoorbeeld naar de schijf. De laatste jaren neemt de behoefte aan geheugen sneller toe dan de prijs afneemt. Dus zijn dergelijke methoden weer sterk in opmars.'

Met computers gebeurt hetzelfde als met wetenschappelijke apparatuur in het algemeen: wat overtollig is wordt al gauw afgebroken of weggegooid. Dooijes heeft veel aan de straat gezet zien worden. Soms was een machine waar hij zijn zinnen op had gezet net afgevoerd. Haast nog groter was de frustratie wanneer er onoordeelkundig behandelde apparaten bij hem werden bezorgd. "Bij sommige ontbrak de documentatie. Dan moet je vertrouwen op je fietsenmakersintuïtie. Andere hadden cola in het inwendige gekregen. Het is zelfs gebeurd dat mensen bij het demonteren de kabels hebben doorgeknipt. Die kun je niet zomaar even repareren of kopen als een netsnoertje.'

Omdat onderdelen vaak niet meer te krijgen zijn heeft Dooijes meer dan één exemplaar van elke computer nodig. De Apple II in zijn museum is samengesteld uit "een hele doos Apples'. Noodgedwongen richt hij zich op de meer gangbare merken en types. En dan nog komt hij voor onaangename verrassingen te staan. Ponsband is niet meer te krijgen. Inktlint voor de kaartenponser (het geponste wordt ook als tekst op de kaart afgedrukt) is van de markt verdwenen. En zelfs kettingformulieren voor de Teletype (8 1/2 inch) heeft Dooijes niet kunnen vinden. Hij behelpt zich met een schamel stukje van enkele decimeters.

'Ouderwetse programmeertalen zijn geen probleem. Die zijn altijd volledig gedocumenteerd. Het leren daarvan gaat spelenderwijs in een avondje. Verouderde besturingssystemen zijn veel moeilijker. Ook daarvan is de documentatie wel compleet, maar dat is vaak een hele boekenplank vol en het is geschreven in een soort geheimtaal. Dat is kennis die snel wegzakt. Zelfs experts van toen weten dat nauwelijks nog. Maar dat is natuurlijk ook weer het aardige.'

Na enig aandringen wil Dooijes iets zeggen over zijn ambities op dit gebied. "In het Science Museum in Londen hebben ze een gigantische zaal met apparaten die niet werken. Die staan bovendien willekeurig opgesteld. Daardoor geven ze geen goed idee van wat er is gebeurd in de geschiedenis van het rekenen. Dàt zou ik over willen doen. Maar ja, dat is een jongensdroom.'

Voorlopig streeft Dooijes naar iets van de twee- of drievoudige omvang van het huidige museum, waarin dan een buizencomputer niet ontbreekt. Al is hij realist genoeg om te beseffen dat buizen snel kapot gaan en nauwelijks te krijgen zijn, zodat een werkende buizencomputer niet tot de mogelijkheden behoort.