Vietnamese filmregisseurs worstelen nog met (zelf)censuur

De Vietnamese cinema: een wapen in de strijd. Festival van recente Vietnamese films. In: Amsterdam, Desmet. Daarna ook in Rotterdam, Den Haag, Eindhoven, Tilburg, Nijmegen, Leeuwarden, Wageningen, Vlissingen, Middelburg en Goes.

De Amsterdamse Gate Foundation, gespecialiseerd in het verbreiden van eigentijdse Aziatische kunstuitingen, stelde ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van het Medisch Comité Nederland-Vietnam een filmprogramma samen van recente Vietnamese produkties. Dit reizende "festival' heeft het voordeel van overzichtelijkheid: er werden acht speelfilms en twee documentaires geselecteerd, geen van alle ouder dan acht jaar.

Over de filmproduktie in Vietnam is in het buitenland weinig bekend. De tekst in de catalogus laat doorschemeren dat de geringe kwaliteit tot voor kort nauwelijks export toestond. Volgens de International Film Guide 1990 werden aan het begin van de jaren tachtig gemiddeld zeventien films per jaar geproduceerd. Pas door de recente politiek van liberalisering konden enkele, in eigen land als marginaal beschouwde regisseurs zich onttrekken aan de gangbare opvatting, vastgelegd op het Derde Partijcongres in 1960, dat iedere film ten eerste een wapen moet zijn in de revolutionaire strijd, ten tweede de boodschap van het sociaal-realisme dient uit te dragen en ten derde het nationale karakter behoort te vertegenwoordigen.

De regisseuse van de twee meest interessante films in het programma, Viet Linh (1952), had in beide gevallen dan ook met grote censuurproblemen te kampen. Haar Travelling Circus (Ganh xiec rong, 1989) is een innemende parabel over een groep komedianten, die in een illusionistisch nummer rijst uit een lege mand te voorschijn toveren. De hongerige en arme dorpelingen zijn gefascineerd, betalen zich blauw aan entreegelden en krijgen de truc maar niet zelf onder de knie. Ook in Linhs The Devil's Mark (Dau an cua quy, 1991) is de maatschappijkritiek, zoals gebruikelijk in de bloeitijd van de Oosteuropese cinema, gegoten in de vorm van een omzichtige metafoor over de liefde van een door een moedervlek uit de samenleving gestoten meisje voor een ontsnapte gevangene.

Ook de andere voorvertoonde films uit het programma, zoals Dao Ba Sons The Goldseeker en Do Minh Tuans Light in Dream bevatten nauwelijks expliciete verwijzingen naar de roerige recente geschiedenis van Vietnam. Dat betekent niet dat er geen films gemaakt worden over verbitterde oorlogsveteranen, weerzin tegen het kapitalisme en de grenzeloze menselijke kwaliteiten van voorzitter Ho Chi Minh. Een figuur als Viet Linh, die terecht door dit programma onder onze aandacht gebracht wordt, is kennelijk nog een witte raaf.

Curieus is de dubbele boodschap die in de begeleidende teksten van de organisatoren vervat is. Aan de ene kant wordt de grotere vrijheid voor individualistische cineasten toegejuicht, aan de andere kant worden de oude propagandistische filomopvattingen nauwelijks verhuld nagebauwd, ook in de niet-ironisch bedoelde titel "De Vietnamese cinema, een wapen in de strijd'. Ook interpreteert de catalogus de maatschappijkritiek in Linhs films als gericht tegen de opkomst van het kapitalisme. Ook zonder gedegen kennis van de huidige maatschappelijke en politieke verhoudingen in Vietnam lijkt die duiding niet erg waarschijnlijk.

    • Hans Beerekamp