Tikkertje

“...nij aty gba ymh eys muh rxd kom tcf, enz.. Zo, dat lijkt me wel weer voldoende voor vandaag. Tot de volgende keer”, kraakt de stem door de hoofdtelefoon. Het daarna volgende deuntje trekt een stoffig stramien door je hersenhelften: deze tettermuziek is dertig jaar oud, als het niet meer is.

Drie kwartier lang heeft er via een bandje een onbekende man op je ingepraat, ondersteund door de ijzeren regelmaat van een metronoom. Soms vertraagt hij even, of je hoort zijn maag knorren (gelukkig, jij bent niet de enige die nog niet naar huis mag), dan weer lijkt hij opnieuw moed te hebben geput uit jouw zweet en hamert vastberaden 4-letterige combinaties voort. De klok tikt onverbiddelijk de aanslagen weg.

“U kijkt toch niet op uw toetsenbord? Denk eraan bij elke aanslag de letter scherp en zacht uit te spreken.” Ik kijk om me heen: geen lispelende lippen, alleen maar zenuwachtig zoekende vingers. En zeker niet allemaal in hetzelfde tempo. Duizend aankomend secretaressen en meer moeten zo begonnen zijn. Typgeiten klimmend op weg naar 200 aanslagen blind per minuut, zo mijmer ik tijdens de vingerontspanningsoefeningen. Hoever kan een mens maximaal gaan in oog-handcoördinatie? En wat is het voordeel boven snel typen met twee vingers?

Ai, de stem spuit alweer nieuwe verbale struikelblokken mijn hoofd in. En dit keer ook nog hoofdletters en speciale tekens. Geen paniek nu. Het hele lichaam werkt mee om die letters op papier te krijgen, plakkkende vingertoppen, kramp in je tenen. Als die verdomde metronoom maar eens ophield met tegen je oor te trappen. Pff, wat moet het heerlijk zijn om met twee vingers 200 aanslagen te kunnen halen, blind.

    • Willum Morsch