Rotterdam verdwijnt maar wat komt is onduidelijk

Er moeten krachtige grote steden komen. Dat vond de commissie Montijn in zijn rapport "Grote Steden, Grote Kansen' uit 1988. Het ministerie van binnenlandse zaken stelt nu voor een paar stadsprovincies te vormen. Dat betekent dat steden als Amsterdam en Rotterdam zullen uiteenvallen in deelgemeenten. Maar dan zal er op centraal niveau wel een sterk regiobestuur moeten komen, met ruime bevoegdheden.

Aanvankelijk wilde Binnenlandse Zaken heel Nederland op de schop nemen en opdelen in 25 regio's. De provincies, in hun voortbestaan bedreigd, brachten zwaar geschut in stelling en het ministerie mikt nu op zeven stedelijke gebieden. Uiteindelijk zal de vernieuwing van het binnenlands bestuur zich beperken tot de regio's Amsterdam en Rotterdam, met Den Haag als mogelijke derde en Utrecht héél misschien als laatste. En zo heeft de commissie-Montijn het ook bedoeld.

Wat men zich moet voorstellen bij een regionaal bestuur voor de grote steden is nog niet duidelijk, maar in 1998 moet de definitieve vorm in een speciale wet zijn vastgelegd. Enkele contouren van het eindbeeld zijn al wel zichtbaar. Zo zullen aan het nieuwe regiobestuur bevoegdheden overgedragen worden van het rijk, van de provincie en van de betrokken gemeenten. De regio's komen los van de provincies Noord- en Zuid-Holland te staan; vandaar dat de naam stadsprovincie steeds meer in zwang komt. En één ding is zeker: de gemeenten Amsterdam en Rotterdam moeten worden opgeheven. Een regionaal bestuur met een grote stad daarin, dat gaat niet samen. Die les is van het slecht afgelopen Rijnmond-avontuur geleerd.

Wanneer beide stadsbesturen aan het avontuur beginnen, stemmen zij dus in feite in met de opheffing van hun eigen gemeente. Het is dan wel een redelijke eis dat beide steden de zekerheid krijgen dat die opheffing loont, en dat er een regionaal bestuur komt dat sterker is dan de grote stad op dit moment. De lijn van Montijn dus.

De randgemeenten hebben de prooi reeds geroken; opheffing van de grote gemeente (Amsterdam, Rotterdam) zit al in hun eisenpakket. De Amsterdamse stadsdelen willen weg uit het ouderlijk huis en zo snel mogelijk zelfstandige gemeenten worden: gemeente De Pijp, Watergraafsmeer, etcetera. En met dat machtige centrale apparaat moet het afgelopen zijn; de nieuwe regio kan het af met een klein groepje ambtenaren. Gemeentelijke diensten zoeken nu hun heil in privatisering. Kortom, de stad als organisatie raakt in ontbinding als er niet snel iets tegenover wordt gesteld: harde uitgangspunten voor bestuurlijke daadkracht en financiële draagkracht.

Als het regiobestuur er eenmaal is, zal het zich moeten beperken tot zaken van bovenlokaal belang, zoals ruimtelijke structuur, woningbouw en -toewijzing, openbaar vervoer, wegen en verkeer, economische ontwikkeling, milieu, grondbeleid, openbare orde/veiligheid en centrale voorzieningen op het punt van cultuur, gezondheid en recreatie. Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat er voor die zaken ook geld beschikbaar is en dat de medewerking van de gemeenten indien nodig, op eenvoudige manier afdwingbaar is.

Er zijn gebieden in de agglomeratie die door hun bovenlokale betekenis direct onder het regionaal bestuur moeten vallen. Dat zijn de zee- en luchthavengebieden, de grote recreatiegebieden (zoals het Amsterdamse Bos) en het stadscentrum. Van die gebieden maakt de hele regio gebruik; om er te werken, te winkelen of zich te ontspannen. Dan moeten ze niet alleen voor de regio, maar ook van de regio zijn.

Het kan om allerlei redenen nodig zijn dat het regiobestuur de ontwikkeling van grote projecten als woningbouwlokaties, bedrijfsterreinen en recreatiegebieden onder zijn hoede neemt. Maar het moet ook tram- en metrolijnen kunnen aanleggen, een congreshal, een vuilverwerkingsbedrijf of een nieuw stadion. Gemeenten moeten, of ze het er mee eens zijn of niet, daaraan meewerken. Dat zijn bevoegdheden die de huidige provincies niet hebben. In dat opzicht zal het nieuwe regiobestuur dus niet op een provincie mogen lijken.

Het toekomstige regiobestuur zal vanaf het begin een krachtige gesprekspartner nodig hebben die het bedrijfsleven vertegenwoordigt. Aanpassing van de grenzen van de Kamers van Koophandel zal daarom gelijk op moeten gaan met de vorming van het nieuwe regiobestuur. De Amsterdamse regio is over liefst vijf Kamers verdeeld.

Aan een grote stad zit heel veel vast: energiebedrijven, havenbedrijven, waterleiding, metro/tram/bus, vuilverbrandingsfabrieken, brandweer, politie, theaters, musea, de grondbedrijven en dergelijke. Dat zijn vaak kapitale bedrijven. Van de stad zijn ook veel instellingen financieel afhankelijk: orkesten, dierentuinen, stadions, ziekenhuizen, VVV's en ook hebben die steden veel geld gestoken in bedrijven als Schiphol, Zestienhoven, Ahoy en Rai. Er gaat dus veel geld om in beide steden. Er zijn veel bezittingen, maar ook grote schulden en en het zijn grote werkgevers. De provincies kunnen wat dit betreft niet in de schaduw staan van beide steden. Het nieuwe regiobestuur zal dus niet op de provincie mogen lijken. Integendeel het moet nóg sterker zijn dan de steden nu.

Dat betekent dat in ieder geval de uitkeringen uit het gemeentefonds en de winsten (en de verliezen) van overheidsbedrijven en regionale grondexploitaties naar het regiobestuur moeten vloeien. Dit betaalt dan op haar beurt de gemeenten volgens vooraf gestelde normen en financiert met het overige geld de centrale voorzieningen, nieuwe grote investeringen en tekorten op grondexploitaties en overheidsbedrijven. In geen geval mag het regiobestuur financieel afhankelijk zijn van de betrokken gemeenten.

Het regionaal bestuur neemt ook de boedel (bezittingen, schulden en verplichtingen) van de grote stad over, althans voorzover die van bovenlokaal karakter is. Het lokale deel wordt (voorzover dat nog niet is gebeurd) afgesplitst naar de deelgemeenten/stadsdelen.

Het nieuwe regiobestuur voor Amsterdam en Rotterdam mag dus niet op een provincie lijken. Alleen al daarom is de benaming "stadsprovincie' ongeschikt. Waarop dan wel? Op het beeld dat in het Rotterdamse door het Overleg Orgaan Rijnmond is geschetst in de nota "De Inzet II'. En op Amsterdam, dat deze nota in feite al eerder in de praktijk bracht door de instelling van zeer zelfstandige stadsdelen. Daar heeft de zogeheten Centrale Stad, althans binnen haar eigen gemeentegrenzen, reeds de meerwaarde die het regiobestuur straks nodig heeft.

Het probleem is nu, dat regering en parlement de steden en de omliggende gemeenten in het ongewisse laten over het eindmodel van het regiobestuur. Daardoor wordt het opheffingsproces een sprong in het politieke duister. De steden zullen eerst harde garanties vragen van politiek Den Haag. En er zijn geleerden die zeggen dat voor een krachtig regiobestuur de Grondwet moet worden gewijzigd. De gelegenheid daartoe doet zich binnenkort voor en als daarvan gebruikt wordt gemaakt, zal ook blijken of er een breed draagvlak is in beide Kamers.

Een sterk regiobestuur en een dito apparaat, dat wordt even wennen voor de omliggende gemeenten, al zal de burger er in de praktijk niet veel van merken. Wat lokaal is, blijft immers lokaal en van het regionale maakte men al gebruik. Toch is te verwachten dat - in naam van die burger - heel wat gemeentebestuurders op de "barricaden' zullen gaan.

Komt er vooraf geen zekerheid over het eindmodel, dan zal er in de tussenfase steeds verder aan de bevoegdheden van het regiobestuur worden geknabbeld, zodat er uiteindelijk niet veel meer over blijft dan een nieuw soort provincie. Een halfwas-oplossing dus. Maar het opheffingsproces van de grote stad is dan intussen wel in gang gezet. Het eindresultaat zal zijn dat de concurrentiepositie van de steden is verzwakt; het tegengestelde van hetgeen de Commissie Montijn indertijd heeft bepleit. Als dat het perspectief is, kunnen de steden beter nú afhaken. Helaas is dan van een goed opgezette poging om de organisatie van het binnenlands bestuur na anderhalve eeuw aan te passen, opnieuw (l'histoire se repète) niets overgebleven.

    • Harry Grosveld
    • Peter van der Reijden