Karlsruhe: Ja maar

MET ZIJN VOORWAARDELIJK instemmende uitspraak ten aanzien van het Verdrag van Maastricht heeft het constitutionele hof in Karlsruhe in feite de Duitse Europa-politiek en daarmee indirect de Europese eenwording onder curatele geplaatst.

Het verdrag zelf heeft het hof minimalistisch uitgelegd; zoals het er nu ligt kan het Duitsland geen schade berokkenen. Op die manier verschaften de rechters zich de ruimte om de klagers met lege handen heen te zenden. Maar tegelijkertijd stelde het hof nauwe grenzen aan de verdere uitwerking van "Maastricht', daarbij aansluiting zoekend bij de voorbehouden die al eerder door Bondsdag en Bondsraad zijn uitgesproken en bij de schichtigheid die de Bundesbank regelmatig aan de dag legt wanneer het om de totstandkoming van een Economische en Monetaire Unie gaat.

"Karlsruhe' dreigt te gaan functioneren als laatste instantie in de Europese rechtspleging. Weliswaar zal moeten blijken of het Duitse hof in de praktijk zover zal willen gaan, maar in zijn uitspraak behoudt het zich het recht voor vonnissen van het Europese Hof te Luxemburg aan een nadere beoordeling te onderwerpen, indien de indruk zou ontstaan dat hierin de Duitse grondwet en de prerogatieven van het Duitse parlement in het geding worden gebracht. Tot dusver is het uitgangspunt in Europa geweest dat Europees recht boven nationaal recht gaat. Maar het moet worden erkend dat de ruime interpretaties die "Luxemburg' zich soms veroorlooft in de lidstaten, constitutionele vraagstukken kunnen opwerpen. Anderzijds is het Europese hof natuurlijk niet weg te denken wanneer het om de ontwikkeling van Europees recht gaat. Het kan daarbij niet door één land voortdurend voor de voeten worden gelopen.

ENIGE AMBIVALENTIE is deze Duitse bijdrage aan Europa niet vreemd. Enerzijds onderstreept het Karlsruher hof de noodzaak van democratische controle in het Verenigde Europa, anderzijds stelt het zich onverbiddelijk op voor de rechten van Bondsdag en Bondsraad. Op die manier wordt niet alleen op het juridische maar ook op het parlementaire vlak een nevenschikking van Europese en nationale organen opgeroepen die tot een absoluut onwerkbare toestand in de Gemeenschap zou leiden. Temeer, indien andere landen de Duitsers in dat opzicht zouden volgen. Het subsidiariteitsbeginsel zou hier geen soelaas bieden.

De Fransen zijn de ratificatieprocedure van "Maastricht' begonnen met de op grond van constitutionele voorschriften gestelde vraag in hoeverre het verdrag de Franse grondwet in het geding bracht. Op onderdelen is die grondwet vervolgens aangepast, in de overtuiging dat de nationale soevereiniteit, zoals ondermeer uitgedrukt in de presidentiële prerogatieven, niet door "Maastricht' werd aangetast. In Duitsland zijn de constitutionele problematiek en de nationale soevereiniteit door individuele klagers aan de orde gesteld. Met zijn "ja maar' heeft nu zelfs het Duitse hof bevestigd dat er een hypotheek ligt op de Europese dynamiek.