Gunstig tij geen garantie voor komst "paarse coalitie'

De "paarse optie' staat weer ter discussie. Een coalitie van PvdA, D66 en VVD lijkt, meer dan in voorafgaande jaren, een serieuze mogelijkheid. Maar de vraag blijft wat zo'n coalitie voor Nederland kan betekenen. Een historisch overzicht leert dat paarse programma's kwamen en gingen.

De christelijke eeuw nadert haar einde. Werd de vorige gedomineerd door liberalen als Thorbecke, deze eeuw waren de christen-democraten aan de beurt. Sinds 1918, toen de laatste liberale minister-president Cort van der Linden zijn ontslag indiende, regeren ze onafgebroken. Enige tijd geleden braken ze het wereldrecord regeren dat op naam stond van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

Nu de volgelingen van Groen van Prinsterer, Schaepman en Kuyper achterstand hebben ingeruild voor macht, is de vraag of dat machtsmonopolie genoeg energie herbergt om de partij ook de volgende eeuw in het zadel te houden. De vraag hoefde lange tijd niet te worden beantwoord. Socialisten en liberalen die elkaar het leven zuur maakten lieten de christen-democraten ongemoeid.

Die tijden zijn echter voorbij. Liberalen als Haya van Someren die hun koffers klaar hadden staan om naar Engeland te emigreren zodra de middenschool zou zijn ingevoerd, zijn er nauwelijks meer. De jongerenorganisatie van de VVD sloot twee jaar geleden dan ook een programmatisch akkoord met de Jonge Socialisten van de PvdA en de Jonge Democraten van D66.

Omgekeerd zijn tal van vooraanstaande sociaal-democraten meer en minder heimelijk voorstander van samenwerking met de liberalen. Staatssecretaris Wallage (sociale zaken), getipt als volgende partijleider of fractievoorzitter van de PvdA, was jarenlang lid van het Des Indes-beraad van liberalen en socialisten. Partijvoorzitter Rottenberg gaf meerdere malen van zijn liefde voor de paarse coalitie blijk, al verwoordde hij die niet altijd even consequent. En vice-fractievoorzitter Leijnse zei enkele maanden geleden dat het hem, gezien de behoudende koers van de beoogd partijleider van het CDA, Brinkman, om het even was met wie de sociaal-democraten straks zouden regeren.

De suggestie dat Lubbers de "Cort van der Linden van de christen-democraten' zou kunnen worden, wordt, behalve door de leiderswisseling bij het CDA, nog door andere omstandigheden gevoed. D66, de partij die al sinds jaar en dag voor een "paarse coalitie' pleit, zal volgens alle opiniepeilingen van de laatste drie jaar de grote overwinnaar worden van de volgende verkiezingen. Solide meerderheden kunnen alleen met de Democraten worden gevormd.

In de derde plaats maakt de vrije val in de opiniepeilingen van de PvdA bij de sociaal-democraten gemakkelijk allerlei anti-christendemocratische sentimenten los. De wrange conclusie dat bij bezuinigingen, of het nu op de WAO, bijstand of studiefinanciering is, de PvdA consequent de grootste electorale schade oploopt, werken zulke gevoelens in de hand. Het aanroepen van de stijlfiguur van de bidsprinkhaan - het CDA dat als vrouwtje het mannetje na de paringsdaad opeet - hoort bij de therapie voor het slachtoffer. In 1989 trad een zelfde mechanisme op bij de VVD na de breuk van de liberalen met Lubbers-II.

Tweede-Kamerleden van de VVD als De Grave en Hermans verkenden toen met collegae uit PvdA-fractie, zoals Kombrink, in het geheim de mogelijkheid van een coalitie tussen beide partijen. Bolkestein, op dat moment demissionair bewindsman op Defensie, pleitte in dezelfde tijd hardop voor een onderzoek naar de mogelijkheid van een coalitie tussen VVD en PvdA. Een gesprek tussen de partijleiders Voorhoeve en Kok leverde echter niets op. Voorhoeve wilde zijn partij, die zwaar gehavend uit de strijd met het CDA was gekomen, niet laten beginnen aan een ongewis avontuur. De PvdA stond te popelen om te gaan regeren, met wie dan ook.

De vierde en laatste reden waarom paars niet per se onzin hoeft te zijn, heeft te maken met de wederopstanding van de linkervleugel van de VVD. Die vleugel had in de jaren zestig zwaar te lijden onder de polarisatiestrategie van de toenmalige partijleider Oud. Door de tegenstelling met de socialisten aan te scherpen probeerde Oud zwevende confessionele kiezers die de KVP niet helemaal meer vertrouwden, naar de VVD te trekken. Met succes. De VVD maakte een flinke groei door. Ook Wiegel zou met dezelfde aanpak later veel succes oogsten.

Tegenwoordig "mag' echter een links geluid binnen de VVD zelf weer. Met name de afstandelijke en soms zelfs kritische houding die vooraanstaande partijleden tegenover delen van de traditionele achterban zoals het bedrijfsleven innemen, wijst daar op.

Zo hekelde Bolkestein enkele malen de "Ons kent ons-mentaliteit' onder managers. Vice-fractievoorzitter Dijkstal bereidde samen met onder meer het Kamerlid Rosenmöller van GroenLinks een initiatief-wetsvoorstel voor dat kans op werk voor allochtonen in het bedrijfsleven moet vergroten. Het wetsvoorstel werd, met steun van de PvdA, vlak voor de zomervakantie aangenomen. En de VVD-specialist voor de sociale zekerheid Linschoten stuurde met D66 en Groen Links aan op de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale zekerheid. Daarbij zaten onder meer de werkgevers in de beklaagdenbank.

Gunstige omstandigheden genoeg, kortom, voor een succesvolle toenaderingspoging. Een coalitie is er echter nog niet mee gebouwd. Het argument van Leijnse komt erop neer CDA en VVD even slecht zijn, geen solide basis voor een regeerakkoord. Dat D66 straks in een sterke onderhandelingspositie komt te verkeren, garandeert evenmin succesvolle paarse coalitievorming. Of zo'n coalitie werkelijk voor een nieuwe stroomversnelling in de politiek kan zorgen, hangt af van de vraag of VVD, PvdA en D66 een geloofwaardig regeringsprogramma weten te formuleren.

In het verleden is het een komen en gaan geweest van programmapunten die een paarse coalitie zou kunnen regelen. Zo vonden de deelnemers aan het Des Indes-beraad elkaar begin jaren tachtig in het streven naar democratisering van het welzijnswerk. Zoveel mogelijk taken zouden van de machtige welzijnskoepels naar de gemeenten moeten worden overgeheveld. Even later gebeurde dat ook, niet door een "paarse coalitie', maar door de voortvarende aanpak van Brinkman als minister van WVC.

Daarna maakten de zogeheten ethische kwesties opgang als bindmiddel tussen VVD en PvdA. Zo oneens als de partijen het waren over financieel-economische kwesties, zo eens waren ze het over zaken als euthanasie en de Wet Gelijke Behandeling. Deze onderwerpen zijn echter inmiddels van de politieke agenda verdwenen. Voordat de frustratie van de drie partijen met het uitblijven van wetgeving op die gebieden tot "paarse proporties' kon uitgroeien, ging het CDA akkoord met een soepeler regeling rond het levenseinde en de gelijke behandeling.

Tegenwoordig duikt de "stroperige bestuursstijl' in Den Haag en de grote macht van organisaties in het middenveld (sociale partners, onderwijskoepels, landbouworganisaties en dergelijke) op als probleem waarmee een coalitie van VVD, PvdA en D66 korte metten zou kunnen maken. Zo zei het VVD-Kamerlid Linschoten dat VVD en PvdA samen de “enorme bureaucratie die te maken heeft met de belangrijke bindingen tussen CDA, ambtelijke top en maatschappelijk middenveld” kunnen bestrijden.

Afgezien van de juistheid van deze analyse - de PvdA kent ook veel banden met het middenveld zoals de vakbonden - is het onzeker of de VVD een dergelijk programma zal kunnen uitvoeren. De VVD kan niet meer profiteren van de zuigkracht die de anti-socialistische polarisatie op zwevende confessionele kiezers uitoefende. Is Wassenaar tegenwoordig net zo ontzet over trage besluitvorming in Den Haag en christendemocratische machtspolitiek als het dorp tien jaar geleden was over "sinterklazende' socialisten? Indien niet, dan wordt de VVD als paarse regeringspartij langzaam leeggegeten door haar belangrijkste electorale concurrent, de christen-democraten.

Dat gevaar dreigt eens te meer daar een coalitie van PvdA, VVD en D66 hoe dan ook een anti-christelijk imago zal krijgen. Daar zorgt D66 voor. Allerlei onderzoek wijst uit dat de grootste politieke tegenstellingen niet meer liggen tussen PvdA en VVD, maar tussen D66 en het CDA. Het allesoverheersend schisma tussen socialisten en liberalen betreffende de rol van de staat in het sociaal en economisch leven, is verdwenen. Bij "nieuwe' immateriële onderwerpen zoals democratisering, emancipatie van de vrouw en euthanasie vormen D66'ers en christen-democraten elkaars tegenpolen.

D66 lijkt te zijn veranderd van het vriendelijk ogend "redelijk alternatief' van partijleider Terlouw uit de jaren zeventig in het radicaal alternatief van Van Mierlo. Met het vorige week gepresenteerde verkiezingsprogramma mag D66 zich opnieuw tussen CDA en PvdA hebben gevlijd, dat laat onverlet dat bij onderwerpen zoals de WAO, euthanasie, criminaliteitsbestrijding en ontwikkelingshulp D66 de afgelopen jaren een andere koers volgde dan de drie grote partijen CDA, PvdA en VVD. En als geen ander weet D66-leider Van Mierlo het heersend chagrijn over de politiek als geheel onder woorden te brengen. Deze "outsideristische' rol, gecombineerd met de komst van een sterk uitgebreide en derhalve onervaren D66-fractie, maakt onzeker of de Democraten de felbegeerde rol van bruggenbouwer tussen VVD en PvdA kunnen spelen.

Enkele maanden geleden doorbrak CDA-partijvoorzitter Van Velzen het gebruikelijke stilzwijgen van de christen-democraten over de mogelijke komst van de paarse coalitie. In een gesprek met deze krant verweet hij partijvoorzitter Rottenberg "ontrouw', omdat deze de oud-gediende Van der Louw, erkend voorstander van zo'n coalitie, weer een prominente plek in de partij had gegeven. De klacht van Van Velzen duidt erop dat ook in christen-democratische kring met een "Time for a Change' (B. Clinton) enigermate rekening wordt gehouden.