De leugen van Lubbers

In februari 1988 viel een befaamde leugen uit de mond van minister-president Lubbers op te tekenen.

Tijdens de gebruikelijke persconferentie na afloop van de ministerraad verzekerde hij de natie dat er geen ingrijpende wijzigingen van de WIR (een investeringspremie voor het bedrijfsleven) op stapel stonden. Hij ontzenuwde daarmee geruchten dat de WIR op het punt stond te verdwijnen. Het kabinetsbesluit om de WIR af te schaffen was die middag genomen. De regeling liep financieel enorm uit de hand, reden waarom het kabinet er vanaf wilde. Het liefst had men de premieregeling onverwacht van de ene op de andere dag beëindigd. Dit was toen juridisch niet mogelijk; tegenwoordig kan dat wel. Met een afschaffing in het weekeinde wilde het kabinet voorkomen dat veel bedrijven op het laatste nippertje nog overhaast tot gepremiëerde investeringen zouden besluiten.

Deze opzet mislukte. Het geheim was uitgelekt naar enkele grote belastingadvieskantoren. Die belden hun klanten er desnoods voor uit bed. Het hele weekeinde van 27 en 28 februari 1988 werkten adviseurs en notarissen op volle toeren. Later bleek dat de voorkennis vooral de grootste bedrijven had bevoordeeld. Ruim 80 procent van de in het hectische WIR-weekend geclaimde premies ging naar die groten. De meeste kleinere bedrijven vertrouwden ten onrechte op de mededelingen van Lubbers. Anderen wilden de zondagsrust niet ontheiligen. Verscheidene ondernemers probeerden getergd later de schade goed te maken met vervalste brieven en akten. De eerste veroordelingen daarvoor zijn eerder deze maand uitgesproken; vandaag moeten zich opnieuw enkele WIR-fraudeurs voor de strafrechter verantwoorden.

Er zijn ook ondernemers geweest die kort na de onverhoedse afschaffing van de WIR alsnog premie wilden opeisen met een verwijzing naar de mededeling van Lubbers. Zij beriepen zich daarbij op het vertrouwensbeginsel. Dat kan burgers bescherming bieden als een bevoegde overheidsfunctionaris een toezegging doet; zelfs als die toezegging niet strookt met de wet. De toepassing van dat beginsel dateert voor het belastingrecht uit 1978. Het vormde een spectaculaire doorbraak op het vaste uitgangspunt dat de rechter de wet moet toepassen. Bij het vertrouwensbeginsel negeert de rechter de wet welbewust vanwege het belang van het opgewekte vertrouwen. Dit jaar besliste de Hoge Raad over de vraag of men er na Lubbers' uitlatingen op vrijdag in Nieuwspoort inderdaad op mocht rekenen dat de WIR het weekeinde zou overleven. De ondernemer die de procedure had aangespannen, had op 10 mei 1988 voor 150.000 gulden geïnvesteerd. Hij wendde zich tot de Hoge Raad met de hartekreet "recht te doen tegen een regering die niet schroomt zijn burgers te bedriegen".

De procederende ondernemer zal andermaal in zijn rechtsgevoel zijn gekwetst, want de Hoge Raad wees zijn WIR-claim af. Maar tot verrassing van velen, achtte de Raad de toezegging van Lubbers wel bindend tot het moment van de wetswijziging op maandag 29 februari. Daarmee maakt de Raad twee zaken duidelijk. In de eerste plaats dat de voor belastingheffing verantwoordelijke bewindslieden uitspraken kunnen doen waar een belastingbetaler zich soms op kan beroepen. Het gaat niet alleen om gepubliceerde beschikkingen en dergelijke, maar ook om persconferenties of uitspraken in NOVA. In de tweede plaats werd duidelijk dat de Hoge Raad de minister-president rekent tot de voor het belastingterrein verantwoordelijke bewindslieden. Dit naast de minister en de staatssecretaris van Financiën.

In het Weekblad voor fiscaal recht van deze week verdedigt de Amsterdamse staatsrechtjurist Kistenkas de stelling dat zulke ministeriële uitlatingen onder bijzondere omstandigheden zelfs de latere wet opzij kunnen zetten. Die mogelijkheid ziet hij nog duidelijker als het niet gaat om uitlatingen in de pers, maar om beschikkingen die niet tijdig zijn ingetrokken. Wie de rommelzolder aan fiscale beschikkingen kent, ziet hier een heel nieuw werkterrein voor fiscalisten opdoemen. In hetzelfde weekblad zet de fiscalist Wattel overigens vraagtekens bij de geldigheid van tegenwettelijke uitlatingen van bewindslieden. Wel vraagt hij zich af waarom een ondernemer bij de burgerlijke rechter geen vergoeding zou kunnen eisen voor de schade die hij door de bewust onjuiste uitspraak van Lubbers heeft geleden. Dat zou kunnen op grond van een onrechtmatige daad van de staat door bewust onjuiste uitspraken van zijn dienaar Lubbers. Het schadebedrag zou ook de misgelopen WIR-premie kunnen omvatten, hetgeen Wattel overigens ontkent. Als zo'n proefprocedure wordt aangespannen, zal het leugentje van Lubbers voor de liefhebbers onder de juristen nog lang na diens regeerperiode voortleven.

    • Aertjan Grotenhuis