Polderdistrict wijkt af van norm voor rivierdijken

ASPEREN, 12 OKT. Er wordt op grote schaal afgeweken van de normen voor dijkverzwaring die de regering begin dit jaar van de commissie Boertien overnam. Zo houdt het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden zich in concept-plannen voor de Waaldijk van Tiel naar het westen niet aan de aanbeveling om de steilte van de dijken te handhaven. Op de dijkhoogte na en met uitzondering van zogenoemde knelpunten, blijft men bij de oude manier van dijkontwerpen, die door de commissie Boertien juist bekritiseerd is.

Met als argument dat dit voor het mechanisch maaien van het gras op de dijkhellingen beter is, zijn flauw aflopende dijktaluds gepland. Het polderdistrict wil slechts steilere hellingen maken op plaatsen die als knelpunt gelden omdat daar een bijzonder historisch of natuurmonument moet worden ontzien.

Die steilte is van belang, omdat flauwere hellingen betekenen dat het uitzicht vanaf de dijken volkomen verandert. Nu begint het landschap vanaf de dijk gezien aan iemands voeten, waarvan op een dak of de kruin van een boom gekeken kan worden. Bij flauwere dijkhellingen kan slechts in de verte gekeken worden.

Over de steilte die nodig is voor mechanisch maaien is al sinds de jaren zeventig een discussie aan de gang. De Commissie Rivierdijken beval toen aan een studie te doen naar de mogelijkheden van het maaien van steile dijken. De commissie Boertien deed vorig jaar nog eens de aanbeveling om die studie daadwerkelijk uit te voeren. Volgens J.G. van Rijnsbergen, hoofd dijkverzwaring van het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden, is het maaien van een steile dijk technisch geen onoverkomelijk probleem. Het is echter duurder en daarom wil hij een flauwer aflopend talud. Bovendien moet volgens de plannen van dit polderdistrict de dijkvoet nog eens worden verbreed met een onverharde weg waarover hooi wordt afgevoerd dat op de flauwe helling is gemaaid in het kader van natuurvriendelijk beheer.

Dijkgraaf J.A. de Jongh legt uit dat de ingelanden van het polderdistrict - vooral de boeren die een belangrijke stem hebben - niet voelen voor hogere polderlasten omdat het onderhoud van een dijk die met minder oog voor landschappelijke aspekten zou zijn ontworpen, goedkoper is. De Jongh: “Dit is het tere punt. De mensen vonden het oude, al officiëel goedgekeurde ontwerp voor dijkverzwaring dat geen rekening hield met de normen van Boertien, ook aardig. De kosten voor aanpassing van de dijk aan de normen van de commissie Boertien moeten niet op rekening van het polderdistrict komen. Het bewaren van landschappen is van een hogere orde dan dit polderdistrict, het is een landelijk belang.”

Maar omdat het polderdistrict onzeker is over de toekomstige hoogte van subsidie voor onderhoud van de dijken, wordt de dijkverzwaring zo goedkoop mogelijk gepland. Het polderdistrict is alleen aan kritiek tegemoet gekomen door geen rechte, nieuwe dijk te ontwerpen. Volgens een rapport dat de Heidemij dit voorjaar maakte, zijn in dit gebied zowel steilere als veel smallere dijken mogelijk dan het polderdistrict nu wil maken. Van Rijnsbergen zegt dat rekening houdend met zowel de noodzakelijke stabiliteit van de dijk als het kostenaspekt zulke dijken niet over het hele traject mogelijk zijn. Voor het dijkvak Tiel-Zennewijnen, ruim vier kilometer, zijn de aanpassingen aan de normen van Boertien zo in de hand gehouden, dat ze gefinancierd kunnen worden uit de besparingen die worden bereikt omdat de dijk lager wordt dan aanvankelijk was voorzien en dus minder grond en zand kost.

Het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden heeft ook problemen met de dijkhuizen langs de Waal, die volgens aanvankelijke plannen moesten worden gesloopt en als gevolg van de conclusies van de commissie Boertien kunnen blijven bestaan. Tientallen jaren heeft het polderdistrict dijkhuizen langs de Waal opgekocht en ze vervolgens gesloopt of laten vervallen. Dat gebeurde als voorbereiding van de dijkverzwaring.

In de nieuwste plannen voor de verzwaring van de dijk van Tiel naar het westen wordt nu zelfs voorgesteld gesloopte huizen te herbouwen. Panden die tijdelijk door huurders werden bewoond en waarnaar het polderdistrict nooit een vinger voor onderhoud heeft uitgestoken, mogen worden opgeknapt. Dijkgraaf De Jongh stelt echter wel een voorwaarde : het mag het polderdistrict geen geld kosten. Daarmee is van het behoud van de dijkwoningen, mogelijk gemaakt dankzij de inzichten van de commissie Boertien, alsnog een moeilijk te ontwarren kluwen problemen geworden.

Volgens De Jongh wil het polderdistrict bij de dijkverzwaring alleen investeringen doen om een huis te ontzien, als er een nieuwe eigenaar komt die garandeert dat het pand wordt gerestaureerd. Het polderdistrict zelf heeft die panden verwaarloosd. Het hoofd dijkverzwaringen van het polderdistrict Van Rijnsbergen :“Een polderdistrict heeft als taak om water te keren en dijken te verbeteren. Het heeft huizen gekocht omdat men van mening was dat die moesten verdwijnen voor de dijkverzwaring. Je kunt van dat polderdistrict nu toch niet verlangen dat het die huizen nu zelf gaat restaureren en in stand houden? Je mag blij zijn dat die huizen er nog staan en niet al twintig jaar geleden zijn gesloopt.”

Het polderdistrict overweegt sloop van oude boerenhuizen die geen belemmering voor de dijkverzwaring zijn te laten doorgaan omdat de grond waarop ze staan al is verkocht. Ook kan dijkgraaf De Jongh niet garanderen dat huizen blijven bestaan waarvan sloop is toegezegd aan de vorige bewoners/eigenaars, die ze gedwongen hebben verlaten. Hij zegt :“Als u zegt dat woningen zijn afgebroken, die nooit afgebroken hoefden te worden, dan kan ik dat nooit ontkennen. Maar nu moeten we ons aan onze afspraken houden. En als anderen dan het polderdistrict nu toch een pand willen sparen dat op de nominatie stond om afgebroken te worden, dan willen we garanties over de instandhouding. Want wij brengen met gemeenschapsgelden speciale voorzieningen aan om dat huis te ontzien. De gemeenschapsgelden die wij vroeger besteedden voor aankoop van dat pand waren een andere zaak : we hadden toen uitgangspunten die anders waren dan de huidige.”

    • Ben van der Velden