Historici bleven heel lang aan zijlijn van archiefland

In NRC Handelsblad van 2 oktober maakt de Leidse hoogleraar en voorzitter van het Nederlands Historisch Genootschap C. Fasseur ter gelegenheid van de presentatie van zijn nieuwste werk "De Indologen' van de gelegenheid gebruik zijn ongerustheid te uiten over ontwikkelingen in het archiefselectiebeleid van de Rijksarchiefdienst en de handelwijze van een aantal ministeries bij de vernietiging van archieven. Volgens Fasseur wordt door archivarissen van de ministeries en de Rijksarchiefdienst te pas en te onpas archief vernietigd.

Op donderdag 30 september ging de historicus Bob de Graaff hem voor op de Opiniepagina met gelijkluidende bezwaren die hij op 24 september ook op de jaarvergadering van het Nederlands Historisch Genootschap had laten horen. Ook hij legt met groot gemak de zwarte piet bij de, naar zijn mening laag opgeleide en blijkbaar niet al te bevattelijke, departementale archivarissen.

Dat historici verontrust zijn over ontwikkelingen in archiefland en dat zij zich na jarenlang verblijf aan de zijlijn eindelijk eens druk gaan maken over het materiaal waar zij en hun toekomstige collega's mee moeten gaan werken, valt alleen maar positief te waarderen. Fasseur heeft volslagen gelijk als hij stelt dat archieven te belangrijk zijn om alleen aan archivarissen te worden overgelaten. Ze zijn echter ook te belangrijk om alleen aan historici over te laten.

Het zou Fasseur en De Graaff sieren als zij zich in het geven van voorbeelden goed zouden documenteren en elkaar niet - foutief - zouden napraten. Zij wekken, bedoeld of onbedoeld, de indruk dat de overheid tot nu toe al haar documenten bewaarde om die na een periode van 50 jaar integraal aan de Rijksarchiefienst over te dragen. Dat beeld is niet juist. Op grond van de Archiefwet 1962, het Archiefbesluit uit 1968 en legio vernietigingslijsten die de afgelopen decennia zijn opgesteld, wordt al sinds jaar en dag archiefmateriaal vernietigd. En dat is om uiteenlopende redenen maar goed ook.

Beiden halen het "voorbeeld' aan van de dreigende vernietiging van (visum-)dossiers van het ministerie van buitenlandse zaken over de spijtoptanten uit Indonesië, die na hun eerdere optering voor het Indonesisch staatsburgerschap eind jaren vijftig en begin jaren zestig massaal naar Nederland wilden vertrekken. Fasseur is zelfs "erg boos' dat Buitenlandse Zaken die dossiers wil vernietigen. Waar beide historici het verhaal vandaan halen dat Buitenlandse Zaken deze dossiers nu wil vernietigen, is mij een raadsel, want het is onjuist.

Deze dossiers worden onder andere bewaard, omdat er wetenschappelijk historisch onderzoek naar wordt verricht. Zij zijn ook bewaard omdat de betrokken archivarissen van Buitenlandse Zaken de afgelopen 30 jaar - toen de archieven blijkbaar wel alleen aan hen konden worden overgelaten - deze collectie met rust hebben gelaten; al mocht zij volgens de normen van de Rijkscommissie voor de Archieven wel gedeeltelijk worden vernietigd En niet omdat deze archivarissen het te druk hadden met eieren bakken of boeken schrijven. Hoe kan worden beweerd dat deze dossiers vernietigd gaan worden op grond van een nog niet afgerond en nog niet van selectiecriteria voorzien PIVOT-onderzoek is mij een raadsel. De profeten bevinden zich blijkbaar buiten de muren van Buitenlandse Zaken.

Hoe gaat de voorgenomen selectie van archief dan wél in zijn werk? Aan een eventuele vernietiging van archiefbescheiden bij Buitenlandse Zaken gaat een onderzoek vooraf; dat onderzoek wordt, inclusief de geformuleerde selectiecriteria besproken met regelmatige gebruikers (voornamelijk historici en politicologen) van het archief van Buitenlandse Zaken (De Graaff kan dat weten).

Het vaststellen van een definitieve selectielijst geschiedt pas ná consultatie van de Rijkscommissie voor de Archieven, waarin ook leden van het Nederlands Historisch Genootschap zitting hebben. Voorwaar een zorgvuldige procedure waarbinnen een “eigen waardering van archiefmateriaal op basis van het historisch belang” (De Graaff) door historici plaats kan vinden, naast de door de Rijksarchiefdienst en Buitenlandse Zaken geformuleerde belangen. Geselecteerd en vernietigd wordt er dus wel, maar niet in het wilde weg zoals wordt gesuggereerd.

Dat documenten wel eens onterecht zijn vernietigd is helaas realiteit. Net zoals het realiteit is dat op andere wijze archiefstukken verloren zijn gegaan die misschien over twintig jaar een prachtige bron voor historisch onderzoek blijken te kunnen zijn: die stukken zijn vernietigd op basis van mede door historici opgestelde vernietigingslijsten, of zij zijn ontvreemd door soms zeer direct bij het beleid betrokken personen. Het is de taak van zowel archivarissen als historici ervoor te waken dat dat soort zaken voorkomen.

    • Peter Groen