Het zusje dat dood moest

Een Turkse familie - zes vrouwen, vier mannen - stapt voor het gebouw van de Utrechtse rechtbank uit twee auto's. De gezichten staan strak en somber. De mannen en vrouwen lopen in gescheiden groepjes naar de ingang van de rechtszaal. Ook in de banken schuiven de mannen bij de mannen en de vrouwen bij de vrouwen.

Het is een dramatische dag in het bestaan van de familie Gürsel. De oudste zoon, de 30-jarige Ahmed, moet terechtstaan voor moord op zijn jongste, 2l-jarige zuster, Fatma. Ahmed is een frêle man met een bedeesd, bleek gezicht dat omkranst wordt door een baardje. Hij schijnt goed Nederlands te spreken, maar voor deze gelegenheid laat hij zich bijstaan door een tolk.

“Klopt het dat u geschoten heeft op Fatma?” vraagt de voorzittende rechter van de meervoudige strafkamer, mevrouw mr. R. Meertens.

“Ja.”

“Hoeveel keer heeft u geschoten?”

“Dat weet ik niet meer.”

Ahmed is wel meer vergeten van die dag, 14 mei 1993. Volgens zijn advocaat verkeert hij nog steeds in een toestand van shock. Maar de dag zèlf zal hij nooit meer vergeten. Het was de dag waarop hij zijn zus, zijn lievelingszus nog wel, met vier gerichte schoten van het leven beroofde.

Zij verliet die morgen met haar vriend, Mustafa, het Academisch Ziekenhuis van Utrecht. Ahmed liep met een geladen pistool op haar af, zij riep - letterlijk vertaald: “Shit, wat voor kakwerk kom je hier doen!” Zij omarmde haar vriend en draaide zich om om weg te lopen. Daarop schoot Ahmed haar in de rug. Toen ze op de grond lag, schoot hij nog enkele malen op haar. Een toegesnelde verpleger wees hij terug. “Ze moet dood”, zou hij hebben gezegd.

“U zou ook nog haar pols gevoeld hebben”, zegt de rechter.

“Dat weet ik niet.”

Op de publieke tribune ontstaat enige commotie als de schotwonden in rug en buik worden beschreven. Als de oudste vrouw - wellicht de moeder - begint te huilen, kijkt een man verstoord om, alsof hij wil zeggen: “Gedráág je.”

De rechter probeert Ahmed het motief voor zijn daad te laten uitleggen, maar dat gaat moeizaam.

“Ik wilde haar helpen.”

“Hoe dan?”

“Door met haar te praten en hulp aan te bieden.”

“Wat voor hulp?”

“Ik wilde haar vragen waarom ze het heeft gedaan.”

Dat "het' - daar draait het allemaal om, want daarachter gaat voor Ahmed een wereld schuil van schande en eerloosheid. Als oudste zoon voelde hij zich verantwoordelijk voor zijn zusters. Fatma moet een eigengereid meisje zijn geweest, voor Turkse begrippen nogal bandeloos. Ze was opgegroeid in Nederland en op zestienjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een Turkse man in Turkije. Ze kon er niet aarden en toen haar man in militaire dienst trad, keerde ze terug naar Nederland.

Ahmed had haar terugkeer goedgekeurd op voorwaarde dat ze zich netjes zou gedragen. Maar eenmaal terug kondigde Fatma aan dat ze van haar man wilde scheiden. Toen ze vervolgens ook nog het ouderlijk huis verliet om bij een nieuwe Turkse vriend - Mustafa - te gaan logeren, was de schande compleet.

Enkele ooms namen Mustafa onder handen. Hij wist toch wel dat dit niet zomaar kon? Dat er op zijn minst binnen twee jaar een huwelijk moest volgen? Mij best, moet Mustafa gezegd hebben, er was alleen één obstakel: hij wàs al getrouwd en hij had zelfs al een schattig kindje in Turkije. Huize Gürsel explodeerde.

De rechtbank heeft zich door een turkoloog van de Leidse universiteit laten voorlichten. Uit zijn rapportage rijst een beklemmend beeld op van de giftige, kleinsteedse roddel die in Turkse gemeenschappen kan heersen. Ahmed en zijn familie werden bespot en geïsoleerd toen de verhalen over Fatma de ronde deden. De namus, de seksuele eer van de familie, was geschonden en volgens de mores van het Turkse platteland kon die maar op één manier hersteld worden: door de dood. “Het gaat hier om een eerwraak, zoals die op het Turkse platteland veel voorkomt”, aldus de deskundige.

Ahmed had zich al eerder opgeworpen als de agressieve moraalridder van de familie. Toen een ouder zusje het verkeerde pad op dreigde te gaan, had hij ook haar bezocht met een geladen pistool op zak. Maar met dat zusje viel uiteindelijk nog te praten. Fatma was onverzoenlijker. Toen hij haar bij Mustafa had opgebeld, had ze gezegd: “Bemoei je niet met mijn leven. Misschien word ik wel buikdanseres.”

Ahmed was stil geworden, die laatste maanden. Hij, een werkloze man, sloot zich in het ouderlijk huis op, broedend op tegenmaatregelen. Toen kwam voor hem op 13 mei de hevigste slag: het bericht dat Fatma ook bij Mustafa was weggelopen. Mustafa zelf had de familie Gürsel daarvan verwittigd. “Dat had hij nooit mogen doen”, vindt de Leidse turkoloog, “want daarmee tekende hij in feite haar doodvonnis.”

De turkoloog gelooft niet in een solo-actie van Ahmed, volgens hem is er van een familiecomplot sprake. Ahmed ontkent dit. Het staat in ieder geval vast dat in de nacht vóór de moord enkele andere, mannelijke familieleden zich op het parkeerterrein van het ziekenhuis ophielden.

Fatma was in het ziekenhuis opgenomen na een mislukte zelfmoordpoging. Zij was ten einde raad geweest, nadat ze had gehoord dat Mustafa haar familie had ingelicht over haar breuk met hem. Ze vreesde wraak.

Al de dag na haar mislukte zelfmoordpoging mocht Fatma het ziekenhuis verlaten. Mustafa vergezelde haar, vermoedelijk niet zonder schuldgevoel. Toen dook Ahmed op - met het pistool in de aanslag.

“Wist u dat ze zwanger was”, vraagt de rechter.

Ahmed schudt het hoofd.

“U schrok daar later erg van?”

“Sindsdien voel ik me erg schuldig.”

“Waarom heeft u niet op Mustafa geschoten?”

“Als ik hem had gedood, zou het uit wraak zijn geweest. Maar dat heb ik juist niet gedaan, ik wilde tevoren niet schieten.”

Maar tegen de politie zei Ahmed kort na zijn daad: “Ik liep al maanden met het plan rond haar te doden. Ik kon niet langer met de schande leven, ik moest mijn namus redden.”

Volgens de psychiater lijdt Ahmed niet aan een psychische stoornis; hij heeft een meer dan gemiddelde intelligentie. Zijn advocaat, mr. P. Snijders, houdt het op een "gemoedsopwelling'. De officier van justitie, mevrouw mr. E. Julsing, wil daar niets van weten. Ze eist een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf jaar. Enkele Turkse vrouwen verlaten daarop geëmotioneerd de zaal.

“Wat moet ik zeggen”, zegt Ahmed in zijn laatste woord. “Mustafa loopt nog vrij rond. Hij heeft mijn zus tot hoer gemaakt. Is dit gerechtigheid?”

(Het vonnis, twee weken later: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaar voor moord.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.