Het partijpolitiek landschap oogt weer als vanouds

DEN HAAG, 12 OKT. Groot was de schok toen het CDA eind augustus als eerste grote partij haar verkiezingsprogramma presenteerde. Met afschaffing van het minimumloon, denivellering en retoriek over “waterscheiding” en een “breuk met de naoorlogse geschiedenis” scheen de partij haar kalmte en plaats in het midden verloren te hebben. Commentatoren repten van een "ruk naar rechts'.

Zeven weken later, na de publikatie van alle verkiezingsprogramma's, moet dat beeld worden gecorrigeerd. Het politieke landschap oogt vertrouwder dan in augustus. De VVD blijkt nog steeds voor de rechterflank te kiezen door bijna twee keer zoveel te willen bezuinigen en te pleiten voor een ministelsel in de sociale zekerheid. De PvdA opteert - weer - voor de rol van verdediger van de sociale rechtvaardigheid. Ze houdt vast aan het minimumloon en wijst vergroting van inkomensverschillen af.

D66 belandt met haar zaterdag gepubliceerde program - opnieuw - tussen CDA en PvdA in. Met de voorgestelde handhaving van het minimumloon en een uitgebreid milieu-programma komen de Democraten links uit van het CDA. Anderzijds heeft het pleidooi van D66 voor ontkoppeling van lonen en uitkeringen en denivellering bij economische groei, bij de PvdA felle kritiek geoogst.

De grootste verandering lijkt nu te zijn dat de revolutionairen van weleer minder revolutionair ogen. De ideologische geladen vijandschap van D66 tegenover alles wat met maatschappelijke organisaties te maken heeft, is afgenomen. CDA-fractievoorzitter Brinkman noteerde gisteravond tijdens een spreekbeurt in Schoorl met blijdschap dat de Democraten oog hebben gekregen voor zaken die een samenleving “samenhang en stevigte geven”.

Het streven van D66 naar directere vormen van democratie is minder revolutionair gaan ogen doordat andere partijen delen daarvan hebben overgenomen. PvdA, VVD, en zelfs het CDA, willen een grotere rol van de gemeenteraad bij de benoeming van burgemeesters. VVD en Pvda hebben het voorstel van een referendum in hun programma's opgenomen.

Al met al lijkt de positie van de partijen als geheel te zijn verschoven, maar de onderlinge volgorde niet. Het hele politieke gezelschap heeft zich naar rechts bewogen, maar er is onderling niet van plaats gewisseld.

Wel is de afstand tussen de partijen kleiner geworden en zijn blokkades zoals die vroeger tussen VVD en PvdA bestonden, verdwenen. Binnen de grote partijen bestaat consensus over de noodzaak van nieuwe bezuinigingen, lastenverlichting en een actief werkgelegenheidsbeleid. De paradox doemt op dat naarmate de partijen meer naar elkaar toekruipen de kans op nieuwe coalities weliswaar groter wordt, maar tegelijkertijd de kans op nieuw beleid kleiner.

Het politiek debat van de laatste weken liet zien dat de politiek leiders die voor verandering zouden kunnen zorgen, meer in beslag werden genomen door onrust in eigen huis dan door vernieuwing. H. Vonhoff, Commissaris van de Koningin in Groningen, merkte al naar aanleiding van de Algemene Beschouwingen op dat het optreden van de politiek leiders Bolkestein (VVD), Wöltgens (PvdA) en Brinkman (CDA) voor een belangrijk deel bepaald werd door interne partijverhoudingen.

Bolkestein zou door zijn agressieve retoriek tegenover het kabinet geprobeerd hebben de duidelijkheid van zijn voorganger H. Wiegel te evenaren, en daarmee zijn intern gezag te vergroten. Het actieve optreden van PvdA-fractieleider Wöltgens toonde aan dat de aanval van partijvoorzitter Rottenberg op de Limburger zijn uitwerking niet had gemist.

De vriendelijke houding van Brinkman tegenover het kabinet interpreteerde de Commissaris van de Koningin als een reactie op de kritiek, een week eerder, van drie oud-lijsttrekkers van KVP, ARP en CHU. Schmelzer, Biesheuvel en Udink verweten Brinkman teveel afstand te nemen van het kabinetsbeleid. Daarmee zou Brinkman als fractieleider van de grootste coalitiepartij teveel onduidelijkheid te scheppen voor de kiezer.

Ook na de Algemene Beschouwingen bleven de interne verhoudingen hun invloed uitoefenen. De afgelopen weken oefenden oud-gedienden in de VVD zoals E. Nijpels en N. Kroes kritiek uit op het leiderschap van Bolkestein. Mede als antwoord daarop volhardde Bolkestein in zijn nadrukkelijke koers van “duidelijkheid en geen geflirt”, zoals hij gisteren nog zei.

De suggestie van Rottenberg, afgelopen weekeinde, om voorafgaand aan de verkiezingen een onderzoek te doen naar de "paarse coalitie' hoeft niet aleen te duiden op de behoefte aan "doorbraken' van de partijvoorzitter. Het politieke plan van Rottenberg betekende tevens een nieuwe aanval op Wöltgens, nu niet op zijn persoon, maar op diens voorliefde voor voortzetting van de huidige coalitie.

CDA-fractievoorzitter Brinkman, tenslotte, nam gisteren in Schoorl opvallend veel tijd om de verlaging of afschaffing van het minimumloon te verdedigen. Alsof hij zich al aan het wapenen was tegen komende protesten in de partij-afdelingen die zich deze maanden over het ontwerp-program buigen. Onvrede over het verlies van het CDA in de peilingen kan gemakkelijk een uitweg vinden in een discussie over het "sociale gezicht' van de partij.

De Basisgroep sociale zekerheid van het CDA die de Tweede Kamerfractie adviseert over sociale vraagstukken, vergeleek afschaffing van het minimumloon al met het klimaat in de afgelopen zomer: “Te koud, te kil”. Ook H. van Dalen, lid van de commissie-Kolnaar die het standpunt van het CDA over de sociale zekerheid voorbereidde, liet in een interne notitie van het ministerie van sociale zaken weinig van de afschaffing van het minimumloon heel. Hij voorzag een “felle loonconcurrentie (-) over de hoofden van de werknemers.” Brinkmans toelichting voor eigen huis was gisteravond dan ook geen overbodige luxe. Voor hem en de politieke leiders van VVD en PvdA zijn de interne verhoudingen op dit moment onderwerp van aanhoudende zorg.