Faas Wilkes 70

Morgen wordt Faas Wilkes 70 jaar. Hoewel ik het tegenwoordig niet graag over leeftijden heb, is dit een verjaardag waaraan een voetbalminnaar niet zomaar voorbij kan gaan. Ik zie Faas nog de Haagse "wondertent' van VUC komen binnen wandelen. Het was winter 1946 en de trainingsbijeenkomsten van Oranje waren begonnen, aangezien de interland tegen Luxemburg naderde. Wilkes droeg een elegante overjas, een opvallend kledingstuk in de tijd van textielpunten en nog niet zo volle winkels. Bij een andere voetballer zou de jas misstaan hebben: verwijfd, om niet te zeggen decadent. Maar elegantie paste bij Wilkes, zowel in het dagelijkse leven als op het veld. Hij was de meest-on-Nederlandse speler die ik in dit land ooit ben tegengekomen. Abe Lenstra kwam ook een heel eind met zijn geniale invallen, maar Faas was van top tot teen een Fremdkörper. Martin Ros heeft terecht opgemerkt dat de dribbel vrijwel verdwenen is van de velden. Gesneuveld in het geweld van met armen en benen zwaaiende verdedigers - om van de ellebogen maar te zwijgen.

Stel, hij was nu 25 in plaats van 70. Zou Wilkes zich hebben kunnen handhaven in de top? Ik denk het niet. Een schermer houdt niet van knuppels. Misschien dat hij zich wegens het dagelijkse brood enigszins zou hebben aangepast. Maar wie Wilkes heeft zien spelen kan zich nauwelijks voorstellen dat hij tackels op de achillespees zou hebben ondernomen, of met zijn puntige elleboog de kaak van Gascoigne zou hebben opgezocht. Hij was de man met de vaak onweerstaanbare rush, het logische doelpunt, de keiharde schuiver. Maar bovenal de dribbelkoning.

Zijn geheim - want er moet altijd een geheim zijn - was zijn formidabele startsnelheid en het dribbelen met twee voeten. Tot vandaag de dag is dat nogal ongebruikelijk. Men drijft de bal met een en dezelfde voet op. Wilkes combineerde met zichzelf. Links-rechts of rechts-links. Van huisuit was hij rechts, maar zijn balcontrole strekte zich tot beide voeten uit. Net als bij Stanley Matthews bestond zijn optreden uit een serie "acts'. Mislukte er iets, werd de bal hem afgepakt, dan stond de Rotterdammer bij wijze van spreken buigend aan de kant. Een prima tackel van een bekwame verdediger diende gerespecteerd te worden. Het was ook niet erg. Meer een kwestie van leven en laten leven. Onmiddellijk maakte Wilkes zich op, weer te worden aangespeeld en dan kwam zijn volgende rush.

Geen wonder dat de Italianen hem best wilden inlijven. Inter Milaan deed dat voor 70.000 gulden. Het arme Xerxes kreeg niets, want in ons land waren we amateurs. Zolang hij fit was, kon Wilkes weinig kwaad doen in Italië. Hij werd trouwens menigmaal vrijgelaten om zijn interland-carrière nieuwe glans te verschaffen, al ging de goedheid van de Italianen niet zo ver dat zij hem afstonden voor de watersnoodwedstrijd in Parijs, waar hij in het team van buitenlandse profs alles behalve misstaan zou hebben. Later, toen hij met zijn nieuwe werkgever Valencia in Rotterdam een demonstratiewedstrijd speelde, greep hij de kans met beide handen aan om voor eigen volk te illustreren dat hij nog niets aan snelheid en balcontrole had ingeboet.

Faas had altijd iets laconieks. Om zijn lippen speelde vaak een vriendelijke en tevens wat vage glimlach. Hij leek het leven nooit helemaal serieus te nemen. Zo voetbalde hij ook. Dat luchtige, virtuoze was on-Nederlands. Ook aan zijn familie moet ooit enige zwaarmoedige, calvinistische inslag niet vreemd zijn geweest. Maar hij straalde dat nooit uit. Hoe moet je hem plaatsen? Maradona.... Romario....? Hij leek er wel wat op, maar was toch anders. Speelde ook in een tijd waarin men nog een tikje lak aan het ploegbelang kon hebben. Aan de andere kant was Wilkes lang zo egoïstisch niet als Romario. Hij liet een ander graag een doelpunt maken. Behalve die ene keer, in 1949 tegen de Fransen, toen Theo Timmermans er al drie had gemaakt en op weg was naar een vierde. Toen zette Wilkes hem stevig van de bal en scoorde zelf. Hij heeft de echte liefhebbers onnoemelijk veel prachtige momenten voorgeschoteld.

    • Herman Kuiphof