Energietax-kartel

Kort geleden werden de twaalf OPEC-landen - onder meer Saoedie-Arabië, Iran, Koeweit, Venezuela en Indonesië - het toch nog eens. Door hun gezamenlijke olieproduktie de komende zes maanden te beperken tot 24,5 miljoen vaten per dag, hopen zij de prijs die zij ontvangen op te drijven naar 21 dollar per vat (159 liter). Een prijsverhoging van iets meer dan 6 dollar. De rest van de wereld reageerde lauwtjes. Voor de meeste kranten was het geen voorpaginanieuws.

Dat is wel eens anders geweest. Twintig jaar geleden waren OPEC-conferenties wereldnieuws. In 1973 verhoogde de OPEC de prijs van ruwe olie met zo'n 450 procent. Die prijsverhoging kon de OPEC doorvoeren door een produktiebeperking in te stellen. Elk land kreeg een quotum opgelegd: het mocht niet meer dan een bepaalde hoeveelheid vaten olie per dag produceren. Zo'n produktiekartel werkt alleen als alle deelnemers zich aan de afspraak houden. En dat lukte wonderwel. Zes jaar later deed het oliekartel er nog een schepje bovenop. De olieprijs steeg van ongeveer 10 dollar per vat tot bijna 40 dollar. OPEC had de olieprijzen in een ijzeren greep. En de olieverslaafde industrielanden konden maar een ding doen: betalen.

Maar op zo'n scherpe prijsstijging volgen natuurlijk reacties. De olie-importerende industrielanden probeerden op allerlei manieren hun energieverbruik te beperken. Nederland zette de CV-thermostaat twee graadjes lager, isoleerde zijn woningen en deed de gordijnen dicht. "Zuinig met energie' werd een verkoopargument voor auto's en andere duurzame consumptiegoederen. Ondernemers richtten hun produktieprocessen energie-zuiniger in.

Het zoeken naar nieuwe manieren van energievoorziening (kern-, wind-, water- en zonne-energie) kreeg een flinke impuls. En de gestegen olieprijs maakte de exploitatie van tot dan toe onrendabele olievelden mogelijk. Daardoor kreeg de OPEC te maken met een aantal nieuwe concurrenten, zoals Noorwegen en Groot-Brittannië.

Stukje bij beetje werd de macht van de OPEC aangetast. In 1973 verzorgde het kartel nog iets meer dan de helft van de wereldolieproduktie; rond 1985 was het marktaandeel gekrompen tot eenderde. Nu is het weer toegenomen tot bijna 40 procent. De olieprijs daalde tussen 1979 en 1985 met 10 dollar naar 30 dollar per vat. De echte klap moest nog komen. Midden jaren tachtig vertraagde de produktiegroei in de industrielanden en de wereldvraag naar olie daalde. Het oliekartel had hierop moeten reageren met een produktiebeperking om de prijs hoog te houden. Maar de eenheid binnen het eens zo sterke kartel was zoek. Landen als Iran en Irak hielden zich niet aan de afgesproken produktiequota. De OPEC-olie bleef rijkelijk vloeien en de olieprijzen stortten in.

Het nu bereikte akkoord zal daar weinig verandering in kunnen brengen. Waarschijnlijk zullen Iran en Koeweit, die in de eerste helft van dit jaar 10 procent meer produceerden dan hun quotum, de nieuwe afspraak blijven ontduiken. En als Irak (ook lid van de organisatie) straks toestemming krijgt van de Verenigde Naties om weer olie te exporteren, heeft OPEC er een nieuw probleem bij. Op iets langere termijn valt te verwachten dat ook de landen van de voormalige Sovjet-Unie zich als olie-aanbieder zullen melden op de wereldmarkt.

Het ziet er naar uit dat de wereld voorlopig kan blijven beschikken over relatief goedkope energie. Dat lijkt een voordeel. Maar er schuilt ook een gevaar in. Lage prijzen geven producenten en consumenten een signaal dat ze weer iets slordiger kunnen omspringen met energie. Het tempo van energiebesparing is in de afgelopen jaren hierdoor gedaald. Bovendien zet een lage olieprijs een rem op het onderzoek naar en de invoering van schone, niet-fossiele energiedragers. Beide ontwikkelingen zijn slecht voor het milieu. Het zou daarom verstandig beleid zijn om het prijsvoordeel niet in de schoot van consumenten en producenten te laten vallen. De overheid zou het in de vorm van een energietax kunnen incasseren. Maar de prijsstijging die zo'n belastingverhoging oplevert mag de concurrentiepositie niet in gevaar brengen. Om concurrentievervalsing tegen te gaan zouden overheden van de industrielanden daarom op internationaal niveau afspraken moeten maken over de invoering van een energietax. Zij zouden een energietax-kartel moeten vormen. Daar is niet alleen het milieu mee gebaat, maar ook de overheidskas.

    • Jan Pleus