De kwaliteit van Europa

DE RAAD VAN EUROPA heeft het afgelopen weekeinde zijn eerste topconferentie van regeringsleiders in Wenen gehouden.

Directe aanleiding was de beroering die is ontstaan na het wegvallen van het IJzeren Gordijn. Voor de organisatie zelf markeerde de Top weinig minder dan een identiteitscrisis. De Raad van Europa werd in 1949 als reactie op de Tweede Wereldoorlog opgericht als hoeder van de democratische rechtsstaat. Hoeksteen van deze oudste van de Europese instellingen vormt het Europees verdrag voor de mensenrechten, dat een eigen internationaal Hof kent en directe invloed op de verschillende nationale rechtsordes heeft.

Deze zorgvuldig opgebouwde traditie staat nu onder druk door de instroom van nieuwe Oosteuropese partners. In enkele jaren is het ledental omhooggeschoten van 23 tot 32. Het jongste lid is Roemenië, een land dat nog de nodige smetten uit het verleden meetorst. Eerder gaf het kersverse lid Estland een twijfelachtig visitekaartje af in de vorm van draconische nationaliteitswetten. Een kandidaat als Kroatië wordt wijselijk in de wachtkamer gehouden, en de Weense Top toonde zich terughoudend over de Russische kandidatuur. Maar zeker in dit laatste geval is er bij de lidstaten geen onoverkomelijk bezwaar.

De politieke aandrang op deze organisatie is niet gering. Nu de Economische Gemeenschap voorlopig onbereikbaar is voor de Oosteuropese landen vormt het lidmaatschap van de Raad van Europa voor hen een voornaam aanknopingspunt met West-Europa. De Raad is bij uitstek geschikt een normatieve meetlat bij het herstel van democratie en rechtsorde te bieden. Het gevaar is een Europa van twee gradaties, waarbij de toestroom van nieuwe leden tot verwatering van de Europese mensenrechten leidt.

HET IS DUIDELIJK dat de Raad van Europa de politiek niet buiten de deur kan houden. Maar hij blijft naar zijn aard het meest geschikt voor de constitutionele en justitiële kaders van het nieuwe Europa. Eerst aangewezene voor een politieke vorm van geschillenbeslechting is toch vooral de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE). De CVSE heeft in de vorm van de verklaringen van Kopenhagen en Helsinki II trouwens belangrijke bouwstenen geleverd voor een charter voor nationale minderheden - het meest explosieve probleem in het nieuwe Europa. Er is ook een Hoge Commissaris voor de Minderheden actief. Bij de Raad van Europa is een praktisch instrument als de rapportageverplichting voor de lidstaten tot dusver onderbenut gebleven, al besloot de Top dat daarin nu verandering komt. Hij gaf ook het groene licht aan het opstellen van juridische instrumenten voor de minderheden.

De spanning tussen gerechtvaardigd respect voor groepsidentiteit en heilloze verbrokkeling is in Wenen niet opgelost. Daar komt bij dat de organen die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van het Europees verdrag voor de mensenrechten, de Commissie en het Hof voor de mensenrechten, nu al overbelast zijn. Ook hier heeft de Top knopen doorgehakt, maar er is nog een hele inspanning nodig - niet in de laatste plaats financieel - om te voorkomen dat de broodnodige stroomlijning van de procedures ten koste gaat van de kwaliteit.

De Raad van Europa heeft al genoeg op zijn bord. Het laatste waaraan behoefte bestaat is ook nog eens concurrentie met de CVSE.