Cyclus en basisloon

De economische terugval die we op het ogenblik meemaken lijkt de conjunctuurtheorieën te bevestigen, die een vaste periodiciteit van de cyclische bewegingen veronderstellen. Precies elf jaar geleden (de gemiddelde duur van een volledige cyclus) zaten we op het dieptepunt van een langdurige inzinking. We schreven toen ook over afbraak van werkgelegenheid, "deïndustrialisatie', de noodzaak van krimp en bezuiniging en zagen als enige oplossing drastische verkorting van de arbeidsduur.

Toch lijkt het er op of er dit keer nog iets meer aan de hand is dan een conjuncturele terugslag, die met de zekerheid van de wisseling der seizoenen gevolgd zal worden door een nieuwe periode van economische opgang. Er is sprake van een structurele crisis die in verband wordt gebracht met de fundamentele veranderingen in de wereldeconomie.

Fundamenteel is dat er een mondiale economie is ontstaan, die functioneert op basis van internationale netwerken. De op wereldschaal opererende ondernemingen stellen hun produkten samen uit componenten die worden vervaardigd daar waar dat het best en het goedkoopst kan. Deze wijze van produceren geldt niet alleen meer voor industriële produkten, maar ook voor diensten.

Mondiaal disponeren is altijd een kenmerk geweest van het internationale bedrijfsleven. De nieuwe dimensie is dat het nu niet alleen meer gaat om de spreiding van routinebanen naar landen met goedkope arbeid, maar ook om werk van hoger kwaliteitsniveau. De vraag is aan de orde of de Europese welvaartsstaten in staat zijn die concurrentie het hoofd te bieden. De hoog ontwikkelde westerse economieën kunnen er niet meer zeker van zijn dat hun geavanceerde dienstverlening en techniek veilig zijn voor de concurrentie van de nieuwe industrielanden.

In Economisch Statistische Berichten schrijft W.S.P. Fortuyn dat we met onze rug tegen de muur staan. Naar zijn mening is het duidelijk dat er loonconcurrentie zal moeten worden geleverd over de gehele linie, van hoog tot laag. De hele verzorgingsstaat zal op de helling moeten, inclusief de algemeen verbindend verklaring van cao's, arbeidscontracten van onbeperkte duur, het minimumloon en de bijstand, onze pensioenen en onze door publiekrechtelijke regelingen afgedekte overlegeconomie.

Fortuyn lijkt te denken dat het Westen werkelijk nog in staat is het op die manier op te nemen tegen landen als China of Singapore, die altijd goedkoper kunnen produceren.

Het verlies van duizenden banen in Europese industrieën is niet tegen te houden, omdat deze banen geen toegevoegde waarde meer opleveren. In het mondiaal opererende bedrijfsleven wordt de meerwaarde gegenereerd in wat de Belgische econoom Blanpain creatieve netwerken noemt. De winsten gaan naar de managers, aandeelhouders, bankiers en juristen die in de supranationale netwerken zitten.

Het probleem waar wij in Europa en zeker ook in Nederland mee blijven zitten is de groeiende werkloosheid, die na elke depressie op een hoger niveau blijft hangen dan de vorige. Van de Zwan, hoogleraar Ondernemingsbeleid aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam, heeft een andere kijk op onze specifieke problematiek dan Fortuyn. Hij is van mening dat Nederland verzuimd heeft om te schakelen van een produktiestructuur die gebaseerd was op lage lonen, naar hoogwaardiger vormen van industrie. Ook in de jaren tachtig, zegt hij in een interview met het VNO-blad Onderneming, is eenzijdig het accent gelegd op loonmatiging en rationalisering, er is te weinig gedaan aan verbreding van de industriële basis.

Volgens Van der Zwan staan we voor een "algehele reconstituering van de economie, die moet aangrijpen op alle sectoren'. Hij maakt ook duidelijk waarom het voor het bedrijfsleven van belang is zich in te spannen om meer mensen aan werk te helpen. Dat is namelijk de enige manier om de wig, het verschil tussen brutoloonkosten en nettoloon, te verkleinen. Een te grote wig ziet hij als een van de grootste bedreigingen van dit moment, omdat daardoor onze concurrentiepositie wordt ondergraven.

Als ik de economendebatten volg die in de media woeden, geloof ik niet dat we de oplossing van onze economische problemen kunnen overlaten aan economen. Er gaan, net als elf jaar geleden, weer stemmen op die pleiten voor invoering van een basisloon, omdat het streven naar volledige werkgelegenheid toch een utopie is. Vergroting van de arbeidsparticipatie volgens de door Fortuyn uitgezette strategie zal leiden tot aantasting van de kwaliteit van de arbeid en tot de definitieve tweedeling van de samenleving. Invoering van een basisloon lijkt daarvoor een aantrekkelijk alternatief. Toch is dit de meest defaitistische strategie. Het betekent immers dat we ons bij de onbereikbaarheid van volledige werkgelegenheid neerleggen en geen andere oplossing meer weten dan een steeds grotere groep overtollige arbeidskrachten tegen een lage prijs uit de markt te nemen.