Compromisvoorstel Alders: Alleen "bewuste' vervuilers zijn aansprakelijk

DEN HAAG, 12 OKT. Bedrijven die schuldig zijn aan bodemverontreiniging en konden weten dat ze het milieu schade toebrachten, moeten de saneringskosten betalen, ook als de vervuiling voor 1975 heeft plaatsgevonden.

Dit nieuwe voorstel hebben minister Alders (VROM) en Hirsch Ballin (justitie) gisteren aan de Eerste Kamer voorgelegd. Vorige week bleek dat de Senaat niet akkoord zou gaan met de Wet Bodembescherming. VVD, CDA en D66 (samen 51 van de 75 zetels) vonden dat vervuilers van voor 1 januari 1975 niet aansprakelijk konden worden gesteld, omdat ze pas vanaf die datum konden weten dat ze met de vervuiling de overheid schade toebrachten. Minister Alders vroeg toen om eem week bedenktijd. Het debat in de Senaat zal vanmiddag worden voortgezet.

In het nieuwe voorstel kan de overheid alleen de kosten verhalen als aangetoond wordt dat de vervuiler de gevaren van de bodemvervuiling kon weten. Daarmee ontstaan twee soorten vervuilers: de vervuiler die voor zijn daden vóór 1975 aansprakelijk kan worden gesteld en het bedrijf dat toendertijd niet beter wist. In het laatste geval zijn de opruimkosten voor de overheid.

De Staat zal voortaan duidelijk moeten maken tot welke groep de vervuiler behoort. Om te bewijzen dat een bedrijf wel degelijk de vervuiling had kunnen voorkomen, worden bedrijven uit dezelfde branche met elkaar vergeleken. Volgens een woordvoerder van het ministerie van VROM, wordt zo bepaald in hoeverre de vervuiler op de hoogte was van zijn milieuvervuilend gedrag. Ook vakbladen kunnen uitwijzen wat er over bodemvervuiling bekend was. De woordvoerder erkend dat het nieuwe voorstel het “in sommige zaken” moeilijk maakt om de schuld van de vervuiler aan te tonen. De saneringsregeling kan de Staat miljarden guldens schelen. Alders rekende de Senaat voor dat met de lopende procedures een half miljard gulden kan worden verhaald. De nog niet begonnen procedures zou de overheid zelfs enige miljarden guldens kunnen opleveren, aldus de minister.

De provincies hebben 8.453 locaties bij het ministerie van VROM aangemeld die in aanmerking komen voor sanering. In 2.000 gevallen is vastgesteld dat sanering direct noodzakelijk is. In meer dan de helft van de gevallen willen de provincies de kosten verhalen op de vervuiler.

Gaat de Eerste Kamer alsnog akkoord met het wetsvoorstel dan moeten de ministers met het aangepaste voorstel terug naar de Tweede Kamer. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer ondervond Alders in eerste instantie ook de nodige tegenstand. De Kamer diende ruim veertig amendementen in op het oorspronkelijke voorstel. Alders kwam de Tweede Kamer tegemoet door de saneringsgevallen onder te verdelen in urgente en niet-urgente gevallen. Niet-urgente gevallen hoeven pas te worden gesaneerd als het gebruik van de bodem wordt gewijzigd.