Bernd Müller promoveert op beeld van zijn land in de Nederlandse literatuur; Duitsland als dieptepunt van alle kwaad

Bernd Müller (37) is de eerste buitenlander die aan een Nederlandse universiteit promoveert op de hedendaagse Nederlandse letterkunde. Sporen naar Duitsland is de titel van het proefschrift waarop de Duitse Neerlandicus vorige week promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Hierin onderzoekt hij het beeld van Duitsland in de na-oorlogse Nederlandse literatuur.

KEULEN, 12 OKT. Het moet een zeldzaamheid zijn dat een promovendus al in de eerste alinea van het proefschrift bekent dat persoonlijke ervaringen de grondslag vormen voor zijn studie. Vervolgens komt hij met het onwetenschappelijke woordje "ik' op de proppen en gaat door in een directe, aansprekelijke stijl.

Bernd Müller arriveerde in 1980 vanuit Münster in Amsterdam om er Nederlandse taal en literatuur te gaan studeren. Van meet af aan werd hij geconfronteerd met het beeld dat Nederlanders hebben van Duitsers, een beeld dat uitsluitend gevoed werd door de Tweede Wereldoorlog - de bezetting, de "mof', het fascisme. In zijn proefschrift schrijft hij: “Als "Duitser' te worden aangemerkt, was een gelijkstelling met een nationale identiteit die ik tot dusver zó nog niet kende en waar ik ook nog nooit behoefte aan heb gehad. Ik kreeg een stempel opgedrukt op grond van bepaalde ideeën over Duitsland zoals zij in Nederland bestaan.”

Gaandeweg werd dat stempel voor Müller een stigma. In de naoorlogse literatuur, vooral in het werk van Louis Ferron en Harry Mulisch, onderzocht hij het beeld dat in Nederland over Duitsland bestaat. De Duitsland-romans van die auteurs, die gingen over hem.

Na twaalf Nederlandse jaren woont Bernd Müller nu in Keulen. We spreken elkaar vlak buiten het centrum in een Konditorei temidden van dames met haarlak en geglazuurd gebak. Müller spreekt zo vlekkeloos Nederlands, dat ik de zeer Duitse ambiance bijna vergeet. Hij praat met een grote betrokkenheid over de complexe verhouding tussen de beide landen: “Duitsland, dat is voor Nederland de oorlog. De Tweede, wel te verstaan. In die oorlog werd nazi-Duitsland de personificatie van het kwaad. Al heeft Nederland zelf een aantal oorlogen gevoerd, zowel tegen de Hertog van Alva als tegen Nederlands-Indië, de enige echte oorlog blijft die van '40-'45.

“Medestudenten en vrienden achtervolgden mij destijds onophoudelijk met verwijten over de bezettingstijd. Alsof ik daarvoor verantwoordelijk zou zijn. Ik moest met terugwerkende kracht schuld en schaamte bekennen. Ik werd tegen wil en dank geïdentificeerd met de Teutoonse Moloch die in 1940 over Nederland raasde.

“Nederland denkt na over Duitsland. Maar Duitsland denkt niet na over Nederland, alle euforie over de Frankfurter Buchmesse ten spijt. Dat ligt aan de presentatie van Nederland, aldoor met behulp van clichés als kaas, tulpen en het Volendammer meisje, Frau Antje zoals ze hier heet. De politionele acties bijvoorbeeld vormen nauwelijks een werkelijk thema in de Nederlandse cultuur. Voor Duitsland is Nederland een maatschappij van de consensus, van Freude, Friede, Eierkuchen. Elk conflict blijft onder de deken. Dat is heel calvinistisch. Duitsland daarentegen redeneert zich kapot, discussieert zich een ongeluk. Zelfs een instelling als het Goethe Institut is bereid in het buitenland typisch Duitse problemen onder de aandacht te brengen. Ik bleef in Nederland aldoor met de vraag zitten waarom ik kon worden aangesproken op de de oorlog terwijl vrienden van me, van wie de vaders hadden gevochten in de politionele acties, daarover het stilzwijgen deden. En dat kennelijk gewoon vonden.”

Müller schrijft in zijn proefschrift Sporen naar Duitsland dat tot het einde der tijden het fascisme het oriëntatiepunt van het schrijven en het denken over de Tweede Wereldoorlog en daarna zal blijven. Is zijn obsessie niet te zwaar aangezet? Er zijn immers ook boeken over Duitsland geschreven, waarin de oorlog afwezig is. “Het is absoluut niet overtrokken,” antwoordt Müller. “Zelfs in de kroeg word ik erop aangesproken dat ik Duitser ben. Nederland heeft een fascinatie voor het kwaad, en dat kwaad heet het nazisme. Niet, bijvoorbeeld, de koloniale oorlog of de acties in het voormalige Nederlands-Indië. Natuurlijk, ik kijk met Duitse ogen naar de Nederlanders, en denk dan: "Hun beeld van de duivel is het nazisme'.”

“Als ik in Duitsland was gebleven en niet naar Nederland gegaan, dan was ik nooit doordrongen geraakt van dit beeld van de Duitse identiteit. Doordat ik ermee werd geïdentificeerd, besefte ik wat het is Duitser te zijn. De literatuur van Ferron en Mulisch heeft in dat opzicht veel voor me betekend. Van Ferron zijn het vooral boeken als Gekkenschemer en De keisnijder van Fichtenwald die een intellectuele uitdaging voor me waren; voor hem is heel Duitsland te reduceren tot het dieptepunt van alle kwaad, Auschwitz geheten. In dat opzicht schept Ferron, evenals Mulisch, een beeld van Duitsland dat precies samenvalt met de periode "33-"45.

“Daarbij moet ik wel aantekenen dat Mulisch minder dan Ferron van de mythische, al te herkenbare en collectieve beelden uitgaat. Mulisch wil, zoals in Het stenen bruidsbed of De toekomst van gisteren, meer creëren dan een stereotype van het fascisme. Mulisch vraagt zich bijvoorbeeld af wat het visioen van de fascisten is geweest. Wat was, uiteindelijk, hun ideaal? Een schrijver als Ernst Jünger, door wie Ferron is beïnvloed, heeft het over het kwaad in de mens zelf, Ferron over het kwaad dat schuilt in elke Duitser. Dat maakt veel verschil. Door die laatste optiek is, hoe dan ook, mijn kleine zieltje gekwetst, ondanks dat ik aan Ferrons vroege werk een hoge literaire waarde toeken. Tot mijn geruststelling heb ik ook ontdekt dat de veroordeling van het Derde Rijk door Ferron en Mulisch voor de Duitse lezer niet nieuw is; iedereen in Duitsland die leest, heeft alle literatuur over het nazisme achter de rug. Duitsers zijn goed in zelfkritiek.”

Voor de verhouding tussen de twee landen gloort er volgens Müller hoop - mits de wederzijdse kennis wordt verbreed en de contacten tussen beide landen geïntensiveerd. Wil hij met zijn proefschrift daaraab bijdragen?

“Ik ben een sentimenteel iemand en ik beschouw mijn studie als een afscheidsgeschenk aan Nederland. Wetenschap beschouw ik als kritiek, en mijn werk is dan ook een kritische analyse van het min of meer vastgeroeste Duitsland-beeld. Ik hoef me niet te schamen voor nazi-Duitsland. Ik heb als individu daar geen schuld over. Wel vind ik dat iedereen die tot een bepaalde cultuur behoort een historische verantwoordelijkheid bezit.

“Het fascineert mij hoe Duitsers in een bepaalde maatschappij, zoals de Nederlandse, worden gezien. Anderzijds intrigeert me welk zelfbeeld de Duitsers hebben. Als je die twee aspecten probeert te beschrijven en te doorgronden, kan er misschien zoiets ontstaan als toenadering, begrip of zelfs verzoening. Ik ben ervan overtuigd dat literatuur in dit opzicht van betekenis kan zijn voor de werkelijkheid. Ik kwam eens op een feest en toen zei een vriend van me: "Daar komt onze goede mof'. Erom kunnen lachen, geeft een gevoel van bevrijding.”

    • Kester Freriks