Abchaziërs vormen een minderheid

De oorlog om Abchazië, dat vanaf 1918 deel uitmaakt van Georgië (vanaf 1930 als autonome republiek), begon in de zomer van vorig jaar toen de Georgiërs de grondwet van 1921 van kracht verklaarden en daarmee een eind maakten aan de Abchazische autonomie.

In Abchazië maken de Abchaziërs maar 17,8 procent van de bevolking van 540.000 zielen uit - de rest van de bevolking bestaat uit Georgiërs (45 procent), Russen (16 procent), Grieken, Armeniërs en joden. De autonomie had de Abchaziërs veel voordelen opgeleverd. Alle organisaties in het land - van voetbalclubs tot de Schrijversbond - bestonden in tweevoud, een Abchazische en een niet-Abchazische versie; een Abchaziër had, om in het parlement te worden gekozen, 1200 stemmen nodig, een Georgiër 9000.

Na de afschaffing van de autonomie verklaarden de Abchaziërs op 23 juli 1992 hun grondwet van 1925 van toepassing. Die grondwet voorziet in een federatie van Georgië en Abchazië. De Georgische president Sjevardnadze wees het denkbeeld van een federatie af en stuurde troepen naar de Abchazische hoofdstad Soechoemi: de oorlog was begonnen. De Abchaziërs werden in hun strijd gesteund met materiaal en troepen uit de republieken van de noordelijke Kaukasus, zoals Kabardino-Balkarië en Tsjetsjenië, die de Georgiërs traditioneel vijandig gezind zijn.

Op 27 juli van dit jaar bereikten beide partijen onder Russische bemiddeling een vredesakkoord. Vijftig dagen later gingen de Abchaziërs in het offensief. Ze verdreven de Georgiërs binnen twee weken uit hun land. Sjevardnadze kon slechts op het nippertje uit Soechoemi ontkomen.

De oorlog heeft officieel 1500, in werkelijkheid rond tienduizend mensen het leven gekost. Hele steden en dorpen en de infrastructuur van het land zijn vernietigd. Soechoemi, vroegere een populaire badplaats aan de Zwarte Zee, is tijdens het slotoffensief van de Abchaziërs meedogenloos gebombardeerd. Van de 130.000 inwoners van Soechoemi wonen er nog maar 20.000; de fraaie villa's langs de boulevard, theaters, scholen, musea, archieven, de universiteit, bibliotheken en officiële gebouwen zijn platgegooid, uitgebrand of geplunderd. Van de 240.000 Georgische inwoners van Abchazië zijn er 150.000 tot 200.000 op de vlucht geslagen; duizenden van hen bevinden zich nog in de besneeuwde bergen, ten prooi aan honger en kou.