Vensterbanken of etalages

Een getimmerde etalage. Voor het schot staat een hanglamp waarvan het snoer is doorgeknipt en een affiche van de dag van de architectuur. Bij de deur geen bel, geen naamplaatje. Op het geklop wordt niet opengedaan. In de volgende hardboard etalage, even verderop hangen enkele olieverfschilderijen. Een straat verder één grote cactus en een zilveren hondje voor een plastic gordijn. Om de hoek een neergelaten luxaflex met daarvoor een maquette van "un centro civico para la Barcelona'. Geen bel. Geen naamplaatje. Niemand doet open.

Er is iets merkwaardigs in de Jordaan. Als een serie ansichtkaarten loopt een vreemde verzameling vensters door de wijk. De laatste trend in etaleren? Vergeten overblijfselen van koninginnedag, zoals bij de slager de verkleurde kerstversiering van voorbije jaren? Pop-art? Of misschien een manier om te verbergen dat wordt gewoond in een pand dat eigenlijk bestemd is voor een winkel?

“Het komt inderdaad voor dat mensen in panden met winkelbestemming wonen”, zegt een ambtenaar van de dienst ruimtelijk ordening. “Bestemmingsplannen worden nu eenmaal altijd achterhaald door maatschappelijke ontwikkelingen.” Vanaf de jaren '70 gingen veel kleine middenstanders over de kop. De behoefte aan wonen nam toe en daarmee de vindingrijkheid van de woningzoekenden. Voor wonen in een winkel is geen woonruimtevergunning nodig, voor wonen in een huis wel. De winkels verdwenen, de etalage bleef.

Een hoekpand aan de rand van de Jordaan. In een provisorische etalage staat Mickey Mouse tussen koffiemolen en ecoline-set. Wonen? Hierachter? “Welnee”, zegt meneer Tellinghof. Na lang bellen is hij naar beneden gekomen. De uitstalkast huurt zijn dochter van hem. Hij woont erboven. Vader Tellinghof knikt naar de tweedehands voorwerpen. “Het is de etalage van een arme student die wat spulletjes verkoopt.” Op het pand rust weliswaar een winkelbestemming, maar de ruimte wordt gebruikt als opslagplaats. Mickey Mouse en koffiemolen moeten de aandacht afleiden van planken, dozen en gereedschap die achter het getimmerde schot verborgen staan. “Beter dan blinderen toch”, zegt Tellinghof.

Bij een raam een paar straten verder rijst opnieuw de vraag: vensterbank of etalage? Achter het glas staat een emaille bordje met "A.C. van Wijck onder rijkstoezicht gediplomeerd schoenhersteller'. Hoge vingerplanten bakenen als een kamerscherm een paar vierkante meter af. Daarvoor, op de grond oude, glazen potten en een stenen kruik met een geschilderd schip.

“Een etalage, ja”, zegt de bewoner die uit het donker van de benedenwoning naar buiten schuifelt. “Geen winkel, nee.” Soms denken de mensen dat wel. Laatst kwam hij terug van het toilet, stonden er een paar toeristen in zijn boekenkast te graaien. Hij heeft die planten en potten neergezet als decor. Van Wijck houdt niet van gordijnen, dat is alles.

Achter een raam in de Eerste Tuindwarsstraat hangt een rij beha's uit vervlogen tijden. Grote beugels bekleed met verschoten kant en cups als ijshoorns. In geen jaren nog zijn ze van hun plek gekomen. Achter de beha's heeft mevrouw R. zich verschanst. Waarom de winkel dicht is? Mevrouw R. wil er liever niet over praten. Zo'n twaalf jaar geleden ging het zaak definitief dicht. Nu houdt ze zich met “andere werkzaamheden” bezig.

Als het aan mevrouw R. ligt zal het stilleven van lingerie voorlopig niet veranderen; de oranje en bruine "moderne herenslips' blijven hangen naast de "lange meisjes nachthemden (nylon)' en de "opengewerkte dralon-sportkousen (ƒ 2,95)'. Het Beha-museum, zo wordt de textielzaak tijdens rondleidingen door de Jordaan genoemd. Ook dat was niet voorzien in de bestemmingsplannen.

    • Monique Snoeijen