Vaste stemming blijft aanhouden, rente daalt langzaam maar zeker

ROTTERDAM, 11 OKT. Internationale conjunctuur. Hoewel de rente in ons land afgelopen week slechts een geringe daling liet zien, blijft de vaste stemming op de Nederlandse obligatiemarkt aanhouden.

Belangrijkste achtergrond voor dit positieve renteklimaat vormt de conjunctuurvertraging die zich wereldwijd voordoet. Perioden van laagconjunctuur en van afnemende spanningen in het economische proces gaan zoals bekend gepaard met lagere renteniveau's. Met name doet deze situatie zich voor in continentaal Europa. Duitsland bijvoorbeeld, verreweg de grootste economie van Europa, ziet zich gesteld voor een diepe recessie. De laatste cijfers wijzen er op dat de economische neergang zich de komende maanden zeer waarschijnlijk zal doorzetten.

Een andere trend die de laatste tijd steeds nadrukkelijker naar voren komt is de ontwikkeling van de inflatie: mondiaal gezien is al geruime tijd sprake van een vrij gematigde inflatietrend, waarbij bovendien de vooruitzichten wijzen op blijvend gematigde prijsstijgingen. Hierbij wordt niet alleen gewezen op conjuncturele oorzaken, zoals de stijging van de werkloosheid, maar ook op meer structurele trends zoals bijvoorbeeld het steeds grotere belang van lage lonen landen in het internationale economische proces. Voor de rente en daarmee voor obligatiebeleggers vormt dit uiteraard een gunstig perspectief.

Een en ander kwam tot uitdrukking in de resultaten van een recente enquête onder 51 institutionele beleggers in Nederland. Gevraagd was naar de raming voor de 10-jaars rente eind dit jaar. De gemiddelde schatting kwam uit op 5,85 procent, een bevestiging van de vaste stemming op de Nederlandse obligatiemarkt. Een andere indicatie voor de goede ondertoon op de rentemarkten was dat vorige week de Duitse rente voor het eerst in zes jaar onder het 6 procent-niveau kwam. Monetaire beleid. Wat verder een rol speelt bij het gunstige sentiment op de rentemarkten is dat in verreweg de meeste Europese landen het monetaire beleid een verruimend karakter heeft. De nieuwe president van de Bundesbank Tietmeyer herhaalde dat wanneer geldgroei en inflatie in Duitsland blijven meevallen de officiële tarieven verder kunnen worden verlaagd. Zijn kanttekening hierbij was dat niet moet worden gerekend op overhaaste rentestappen (gegeven de nog boven de doelzone blijvende geldgroei en inflatie), maar dat doet geen enkele belegger meer wanneer moet worden geanticipeerd op maatregelen van een centrale bank en zeker niet wanneer het de Duitse centrale bank betreft.

Ook in andere Europese landen wordt bij het monetaire beleid steeds meer rekening gehouden met het bevorderen van het economisch herstel. De verruiming van de EMS-bandbreedtes biedt hiertoe voor de deelnemende landen in principe voldoende mogelijkheden. Hierbij wordt echter tot dusver een voorzichtige politiek gevolgd. Een land als Frankrijk bijvoorbeeld geeft tot dusver voorrang aan valutastabiliteit en tracht eerst om zo veel mogelijk het vertrouwen van de financiële markten in de Franse franc te herwinnen. Behoedzaamheid. In dit sentiment blijven beleggers derhalve een voorzichtig positief beleid aanhouden. Wel zijn nieuwe risico's naar voren gekomen. Een land als België bijvoorbeeld heeft de status van hard core valuta moeten opgeven. De monetaire autoriteiten hebben sinds medio 1990 een beleid gevoerd gericht op een koppeling van de Belgische frank aan de Duitse mark (de politiek die Nederland nu al meer dan tien jaar volgt), maar hebben in de nieuwe EMS-constellatie moeten afhaken nu de financiële markten steeds meer vraagtekens gaan zetten bij de enorme staatsschuldenlast. Dit toenemend wantrouwen heeft al geleid tot een beduidende risicopremie in de Belgische rentes en een verzwakking van de frank. Nederlandse overheidsfinanciën. Ook Nederland kampt zoals bekend met een internationaal gezien weinig florissante stand van zaken in de overheidsfinanciën, maar heeft het voordeel dat de afgelopen jaren vooruitgang is geboekt bij de terugdringing van het financieringstekort. Voorlopig blijft echter de financieringsbehoefte op een hoog niveau liggen, zowel in absolute termen als in procenten van het nationale inkomen. De dekking voor dit jaar lijkt inmiddels wel veilig gesteld. De waarschijnlijk laatste staatslening met storting dit jaar betrof de zesde tranche van 7,5 procent dertigjarige lening, die 2,8 miljard gulden opbracht. In totaal is met deze lening 10,7 miljard binnengehaald. Naar verwachting zal in december worden begonnen met de dekking van de financieringsbehoefte voor 1994, die zoals de zaken er nu voor staan naar verwachting ruim 50 miljard gulden zal bedragen.

Bron: Institute for Research and Investment Services, Joint Venture Rabobank/Robeco