Steun politieke vijanden in plaats van vrienden

Nederlandse politieke partijen krijgen subsidie om zusterpartijen in Midden- en Oost-Europa te ondersteunen. Het doel is bevordering van het democratiseringsproces aldaar. Maar het is de vraag of de regeling zinvol is. De zusterpartijen bestrijken immers maar een beperkt deel van het politieke spectrum.

Kortgeleden liet de minister van binnenlandse zaken de politieke partijen weten dat de subsidieregeling voor zusterpartijen in Oost-Europa niet langer automatisch op jaarbasis zal worden verlengd, maar dat zij in ieder geval wel tot en met 1996 van kracht blijft. Het budget bedraagt twee miljoen gulden per jaar en de politeke partijen ontvangen daarvan een deel, naar rato van het aantal zetels in de Tweede Kamer. Voor het CDA komt dat neer op een bedrag in de orde van zes ton, voor D66 betekent dat tot op heden ongeveer ƒ 175.000 per jaar.

Hoewel diverse Nederlandse politieke partijen met de financiële middelen van de Oost-Europasubsidie een groot aantal nuttige activiteiten hebben ontplooid, is het toch de vraag of de subsidieregeling het doel dat zij beoogt - steun aan het democratiseringsproces in Midden- en Oost-Europa - optimaal dient. Misschien wat "puur theoretisch', maar uit de logica van de regeling zijn de Nederlandse partijen niet zozeer de begunstigden als wel uitvoeringsinstrument. De gedachte is dat door het bevorderen van contacten op partijniveau in de verschillende landen in Midden- en Oost-Europa een stabiele partijdemocratie, met de ons bekende ideologische scheidslijnen, tot ontwikkeling komt. Dit nu is een misvatting: de belangrijkste Nederlandse partijen bestrijken slechts een zeer beperkt deel van het politiek spectrum in Oost-Europa.

De Nederlandse partijen, in elk geval de vier grootste, mogen in de Haagse context uiteenlopen en elkaar bestrijden, in relaties met de nieuwe democratieën blijken ze dicht naast elkaar te liggen. In Polen mocht de Democratische Unie zich in de belangstelling van ongeveer alle grotere Nederlandse partijen verheugen, en in Hongarije hebben zowel D66, als VVD en PvdA, activiteiten met de Vrije Democraten (SzDSz) op poten gezet. Op zichzelf is daar niets op tegen, al krijgt het begrip "zusterpartij' in deze omstandigheden wel een wat erg ruime betekenis. Erger is dat onze partijen een belangrijk deel van de sectoren op het politieke toneel in Midden- en Oost-Europa niet bereiken. De Nederlandse partijen, kunnen het vooral goed vinden met pro-westerse partijen, die dikwijls zijn voortgekomen uit intellectuele dissidentenkringen. Wij richten ons niet op fel nationalistische of populistische partijen en evenmin op de partijen die de voortzetting zijn van de oude communistische partijen. Helaas blijken juist al deze partijen een grote en nog steeds toenemende rol te spelen in de politiek van de betrokken landen. De aanhang van groeperingen voor wie de beginselen van de rechtsstaat allerminst gegeven zijn en voor wie Europa en integratie daarin zeker niet vanzelf spreken, is te groot om aan voorbij te gaan.

Nederlandse partijen organiseren met en voor bevriende partijen in Oost-Europa inhoudelijk relevante activiteiten. Zo organiseert de D66-stichting binnenkort in Bulgarije, op verzoek van politieke vrienden daar, een seminar over duurzame ontwikkeling, waarbij wordt getracht dit ook op de Balkan een politieke kwestie te maken. In Boedapest wordt een conferentie belegd over minderhedenbeleid in Europa.

Recent heeft de stichting een aantal Hongaren op bezoek gehad om kennis te maken met het Nederlandse drugsbeleid. Een bijkomend voordeel van dergelijke activiteiten is dat in de Nederlandse partijen het draagvlak voor samenwerking met Midden- en Oost-Europa wordt versterkt.

Van individuele politieke partijen mag niet worden verwacht dat zij "hun' geld inzetten om kennis over te dragen aan politieke tegenstanders, de populisten en agressieve nationalisten. Maar als bijdrage aan het totstandbrengen van een stabiel democratisch bestel zou dat, dunkt me, meer zoden aan de dijk zetten: Baltische parlementariërs confronteren met onze zorg voor de Russische minderheid in deze landen, Slowaakse beleidsmakers wijzen op de rechten van de Hongaarse minderheid. Oftewel in debat gaan met Midden- en Oost-Europeanen wier opvattingen niet parallel aan de onze lopen. Juist zij tonen hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit en laten zien hoe de politieke omgangsvormen in een ontwikkelde democratie luiden. Samengevat: gedrags- en meningbeïnvloeding van onwelgevallige "opinion leaders' in plaats van investeren in verdieping van de opvattingen van politieke vrienden.

Het is niet mijn bedoeling afschaffing van de subsidieregeling te bepleiten. Ik denk dat het goed is dat ondersteuning van de democratie deel uitmaakt van de Nederlandse Oost-Europahulp. Maar ik vraag mij wel af of de huidige vorm, waarbij zo sterk het accent ligt op Nederlandse partijen en hun zusterpartijen, de meest geschikte is. Uit het oogpunt van de doelstelling zou een "non-partisan' - of een "multi-partisan approach' gericht op het gehele politieke spectrum in de doelgroeplanden eerder voor de hand liggen.

    • Michel Groothuizen