Rugby is nog lang geen gymnastiek

DELFT, 11 OKT. Ze dragen gebitbeschermers. Ze kicken, ze botsen, duiken in de scrum en rollen over het veld. Ze schuwen het contact niet. Ze zijn niet zwaarder of stoerder, leniger of trager dan de betere hockey- of volleybalteams die de Nederlands sportvelden of -zalen bevolken. Ze winnen in oranje shirts met 51-0 van Duitsland. De vijftien vrouwen van het Nederlands rugby team.

Rugby is nog lang geen sjoelen of handbal en zeker geen turnen. De rugbybond lijdt aan het euvel waar wel meer sportbonden in Nederland mee te kampen hebben. Het percentage vrouwelijke leden is beduidend lager dan het percentage mannelijke leden. De rugbybond had op 1 januari van dit jaar 6323 leden, waarvan 452 vrouwen en 14 meisjes. Dat is zeven procent.

“Op school hing een poster. Het was alleen voor jongetjes”, vertelt de 27-jarige international Sanne Veltkamp. Ze werd doorverwezen naar de plaatselijke rugbyclub. Ze had talent, bleef hangen en speelt al twaalf jaar. Om zich heen zag ze voortdurend teamgenoten afhaken. Het verloop in de kleine damescompetities is groot.

Er sporten in Nederland zo'n zeven miljoen mensen. Meer dan de helft is lid van een vereniging en daardoor indirect aangesloten bij een sportbond en onderdeel van de sportkoepel NOC*NSF en hun statistisch materiaal. 38 is procent vrouw. In Scandinavië ligt dat percentage iets hoger, in Duitsland ongeveer gelijk, in België en Groot-Brittannië iets lager. De verhouding daalt tot ongeveer twintig procent als alleen de sporters meetellen die aan een georganiseerde competitie meedoen.

Bij drie sportbonden zitten meer vrouwen (en meisjes) dan mannen. Voorop gaat de grote gymnastiekbond met 81 procent: 225.000 van de 272.000 leden. Handbal (42.000 van de 68.000) en sjoelen (1750 van de 3100) zijn de andere. Vijftien bonden zitten in de buurt van de vijftig procent vrouwelijke leden, maar bij 26 bonden ligt dat beneden de twintig procent. Bijvoorbeeld voetbal, tafeltennis en rugby hebben wat in te halen. In absolute getallen voeren tennis (met 347.000 vrouwen), gymnastiek, volleybal (95.000), zwemmen (82.000) en hockey (60.000) de lijst aan.

Met hulp van de werkgroep "vrouw en sport' van NOC*NSF heeft iedere bond de laatste jaren plannen gemaakt om die percentages recht te trekken. Rugby hanteert een "stappenplan'. Waar haal je vrouwen vandaan? Niet van andere sporten, maar uit de doelgroep waar je zelf vandaan komt.

International Yvonne Bouman en organisator van het stappenplan hing daarom bijvoorbeeld affiches op in de kroeg. Daar was ze zelf toen ze naar Nijmegen verhuisde ook gerecruteerd. De nieuwelingen, acht groepen van gemiddeld vijftien vrouwen, kregen een introductiecursus, speelden een toernooi tegen elkaar en kunnen hopelijk volgend jaar meedoen aan de landelijke competitie waarin elf teams uitkomen.

“Het onhandige van rugby is dat niemand het begrijpt”, zegt Veltkamp. “Voetbal heb je vaak zien spelen, maar rugby is vreselijk ingewikkeld. Het duurt even voor je de regels en het spel doorhebt. Beginners kunnen niet meteen met ons meetrainen omdat het niveauverschil te groot is.” Op de tennisclub is altijd wel iemand te vinden die even slecht speelt, de hockeyclub heeft behalve het eerste ook een tiende elftal, maar de rugbyclubs en veel voetbalclubs hebben meestal maar een vrouwenteam.

Van de ruim honderd vrouwen van 20 tot 25 jaar die de sport dit jaar leerden kennen is ongeveer de helft lid geworden van een club. Bouman is geslaagd in haar opzet, maar heeft haar eigen club meteen met een probleem opgezadeld. Nijmegen en Breda hadden een combinatieteam. Breda heeft na het stappenplan voldoende nieuwelingen voor een eigen team, Nijmegen nog net niet.

    • Remmelt Otten