Prostitutiewet brengt alleen maar gewassen lakens

De Eerste Kamer behandelt deze week een wetsvoorstel over mensenhandel en exploitatie van prostitutie. Zij krijgt daarbij volop gelegenheid haar tanden te laten zien. Want wie uitgaat van elementen als rechtmatigheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid, moet vaststellen dat het wetsvoorstel niet deugt. Voortzetting van de huidige praktijk lijkt vooralsnog beter.

De Eerste Kamer wordt de laatste tijd alom geprezen om haar kritische houding ten aanzien van wetsvoorstellen. Deze week behandelt de Eerste Kamer opnieuw een wetsvoorstel waarbij zij haar tanden kan laten zien, namelijk dat over mensenhandel (vrouwenhandel) en exploitatie van prostitutie (bordeelverbod).

In de eerste voorstellen waren alleen die vormen van exploitatie van en bemiddeling voor prostitutie strafbaar, waarbij gebruik wordt gemaakt van enige vorm van dwang, misbruik of misleiding. Slechts wanneer de wilsvrijheid van de betrokken vrouw wordt aangetast, zag men reden tot ingrijpen. Morele bezwaren van vooral confessionelen huize tegen de algehele decriminalisering van het bordeelverbod, en angst voor een "ontembare en oncontroleerbare stroom buitenlandse prostituées naar Nederland' hebben van dit uitgangspunt weinig heel gelaten. In het voorstel dat nu in de Eerste Kamer ligt, krijgen gemeenten weer de mogelijkheid de exploitatie van seksinrichtingen te verbieden, en komt er een absoluut verbod op de tewerkstelling van buitenlandse (niet-EG) vrouwen.

Volgens het hoofdredactioneel commentaar in NRC Handelsblad van 6 oktber dienen in de afweging van de Eerste Kamer elementen als rechtmatigheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid centraal te staan. Als we deze drie elementen als uitgangspunt nemen, blijkt het wetsvoorstel exploitatie van prostitutie en mensenhandel de toets der kritiek niet te kunnen doorstaan.

De rechtmatigheid komt op twee punten in het gedrang. Ten eerste introduceert het wetsvoorstel een naar gemeente gedifferentieerde strafbaarheid van misdrijven. Na invoering zullen er drie soorten gemeenten zijn: gemeenten waar exploitatie van een seksinrichting onvoorwaardelijk is toegestaan, gemeenten die de exploitatie aan een vergunning koppelen, en gemeenten die alles juist verbieden. In de laatste twee zal het (zonder of in strijd met een vergunning) exploiteren van een seksbedrijf een misdrijf zijn.

Wat in de ene gemeente een misdrijf is, is in een andere toegestaan en kan zelfs door de gemeente zelf ter hand worden genomen. De bordeelhouder die in de ene gemeente voor de exploitatie van zijn bedrijf als pleger van een misdrijf wordt vervolgd, zit in de buurgemeente als eerzaam burger met B en W over exact hetzelfde te onderhandelen. Dit vereist van politie en openbaar ministerie een wel erg genuanceerd opsporings- en vervolgingsbeleid. Juist om dit soort situaties te voorkomen, wordt territoriale differentiatie op misdrijfniveau uitgesloten. Artikel 107 van de Grondwet (het codificatieartikel) impliceert dat bij misdrijvenstrafrecht "voor territoriale differentiatie geen plaats is', zoals ook de minister van justitie moet constateren in de schriftelijke behandeling van het wetsvoorstel.

Het tweede punt waar de rechtmatigheid van het wetsvoorstel in het gedrang komt, is de vreemdelingrechtelijke regel die erin is opgenomen. Het wordt verboden personen in een seksinrichting te werk te stellen voor wie een tewerkstellingsvergunning krachtens de Wet Arbeid Buitenlandse Werknemers (WABW) is vereist. Maar daarmee komt de strafwet in strijd met de WABW. Krachtens de WABW kan een seks-exploitant een tewerkstellingsvergunning voor een niet-EG-onderdaan niet worden geweigerd, als uit de kaartenbakken van de arbeidsbureaus geen Nederlands prioriteitsgenietend aanbod blijkt. Een situatie die zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voordoet. Maar als hij vervolgens met die vergunning op zak de desbetreffende persoon daadwerkelijk tewerkstelt, blijkt hij zich schuldig te maken aan een misdrijf.

Aan de rechtmatigheid van het wetsvoorstel kan dus worden getwijfeld. Opmerkelijk daarbij is, dat beide punten bij nota van wijziging in het oorspronkelijke wetsvoorstel zijn ingevoegd, en nooit aan de Raad van State ter advisering zijn voorgelegd.

Ook aan de doelmatigheid van de voorgestelde regeling wordt sterk getwijfeld. Doel van het wetsvoorstel is een krachtiger en effectiever bestrijding van mensenhandel en gedwongen prostitutie, beheersing en regulering door de overheid van de exploitatie van prostitutie, en ten slotte bescherming van de kwetsbare positie van prostituées. Anders dan de minister van justitie verwachten de Rode Draad/FNV Dienstenbond en de Stichting tegen Vrouwenhandel - vertegenwoordigers van de te beschermen prostituées en slachtoffers van vrouwenhandel - dat de voorgestelde regeling juist averechts werkt.

De groep buitenlandse prostituées is zo groot - 40 tot 60 procent van het totale aantal - dat onvermijdelijk een nieuw illegaal circuit ontstaat. In de grote steden wordt al weer over een gedoogbeleid gesproken. Buitenlandse (niet-EG) vrouwen zullen als goedkope en rechteloze werkkrachten in dit illegale circuit verdwijnen. Afhankelijkheid van malafide tussenpersonen en bordeelhouders wordt dan groter, zichtbaarheid en bereikbaarheid voor hulpverlening en gezondheidszorg nemen af, en leef- en werkomstandigheden van de betrokken vrouwen verslechteren. Juist de groep die de meeste bescherming nodig heeft, zal terechtkomen in de meest onbeschermde sectoren van de prostitutie. Voor exploitanten zijn er bovendien vele wegen om zich aan het exploitatieverbod te onttrekken, zoals het - althans formeel - scheiden van entertainment- en prostitutieactiviteiten.

Ook voor de prostituées die wel legaal kunnen werken, verandert er bitter weinig. Toegegeven, invoering van een vergunningenstelsel zal wellicht betekenen dat de arbeidsomstandigheden verbeteren. Schoon bed- en badlinnen, minimumafmetingen van werkruimtes en vitrines (1,5 meter per prostituée), luchtverversing en dat soort zaken die als voorwaarden aan een vergunning worden verbonden, maken het werk er niet slechter op. Maar zaken die direct van belang zijn voor prostituées zelf, zoals de bescherming van de privacy (registratie), een goede rechtspositieregeling (zwangerschapsverlof), toegankelijkheid tot sociale voorzieningen (WW, WAO), worden niet of nauwelijks uitgewerkt. Vooralsnog blijft het bij verplichte afdracht van inkomsten- en omzetbelasting. Daartegen bestaan kennelijk geen morele bezwaren.

Schijnbaar is het enige doel dat met de wet is gediend de mogelijkheid voor de (gemeentelijke) overheid de exploitatie van prostitutie te reguleren. Maar ook dat doel wordt voorbijgeschoten door het absolute verbod op tewerkstelling van buitenlandse (niet-EG) vrouwen, ten aanzien waarvan niet anders dan een gedoogbeleid kan worden gevoerd.

Daarmee komen we op de uitvoerbaarheid van de voorgestelde regeling. De grootte van de groep buitenlandse vrouwen in de prostitutie, gecombineerd met het gedifferentieerde opsporings- en vervolgingsbeleid dat van justitie wordt geëist als gevolg van de territoriale differentiatie, doet grote twijfel rijzen over de haalbaarheid. Alleen al op basis van de beschikbare menskracht zullen politie en openbaar ministerie zich hoogstwaarschijnlijk slechts richten op situaties waarin duidelijk sprake is van onvrijwiligheid. Nu al ontbreekt het justitie aan voldoende capaciteit om vrouwenhandel aan te pakken. Dat zal met een nieuwe wet niet veranderen.

Van de aanvankelijk voorgestelde regeling is door alle compromissen niet veel over. De wilsvrijheid van de prostituée als criterium voor strafbaarheid van exploitatie en bemiddeling is losgelaten. Gevoegd bij de matig tot slechte beoordeling wat betreft rechtmatigheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid, kan het wetsvoorstel dan ook maar beter worden afgewezen. De huidige praktijk verdient, ondanks alle bezwaren, dan toch nog veruit de voorkeur.

    • Marjan Wijers
    • Roelof Haveman