Politiek-literaire emoties laaien hoog op; Woede in Frankfurt over "racistisch exotisme'

FRANKFURT, 11 OKT. “Ik wilde shockeren, een discussie op gang brengen,” verklaarde de Vlaamse auteur Jef Geeraerts gisteren na een controversieel optreden in de congreshal op de Frankfurter Buchmesse. Een door hem in het Duits voorgelezen fragment uit de roman Gangreen I (1968), over de seksuele verhouding tussen een blanke man en een dertienjarig zwart meisje in de Congo, leidde tot grote woede bij de in de zaal aanwezige leden van de Surinaams-Antilliaanse delegatie op de boekenbeurs.

Geeraerts, die samen met de schrijfsters Hella Haasse en Lieve Joris eerst een half uur in het Nederlands had gediscussieerd over de verschillen tussen de koloniale ervaring in Nederlands-Indië en Belgisch Congo, werd tijdens het voorlezen onderbroken door de Surinaamse kinderboekenschrijfster Ishmene Krishnadat, die hem vroeg zijn verhaal onmiddellijk te beëindigen “omdat het beledigend was voor de gekleurde vrouw”.

Een andere zwarte vrouw uit de voor de helft gevulde zaal noemde Geeraerts' erotische koloniale verhaal "artistieke masturbatie' en een voorbeeld van het "racistisch exotisme' waaraan zowel hij als Hella Haasse zich naar haar mening ook in de paneldiscussie hadden schuldig gemaakt: “U verheerlijkt allebei het koloniaal verleden en ziet de gekoloniseerden niet als mensen, maar als exotische objecten.” Ze had zich vooral geërgerd aan de provocerende houding van Geeraerts, die onder andere had gezegd dat er in de Congo, anders dan in Nederlands-Indië, nauwelijks contact was tussen de rassen omdat de stammen daar geen beschaving hadden.

Tot een verdere discussie tussen schrijvers en publiek kwam het - tot ongenoegen van de Surinamers en Antillianen - niet. Moderator Lieve Joris moest de zitting "wegens tijdgebrek' beëindigen. Niet tot haar spijt, verklaarde ze later: “Hier werd politiek verward met literatuur; dat is in het algemeen een weinig vruchtbare ondergrond voor discussie.” Wel vroeg ze zich af of het verstandig van de organisatie was geweest om voor een panel over het koloniaal verleden alleen maar blanken uit te nodigen - een andere doorn in het oog van de Surinaams-Antilliaanse delegatie.

Ook tijdens de andere Schwerpunkt-discussies die dit weekend (op de voor publiek toegankelijk dagen van de Buchmesse) door Nederland en Vlaanderen waren georganiseerd, liepen de politieke emoties hoog op. Zaterdagochtend leidde een gesprek over "tolerantie en zelfironie' tot een hartstochtelijk mea culpa van de Nederlandse schrijvers Benno Barnard en Nelleke Noordervliet. De eerste verontschuldigde zich tegenover de - overigens nauwelijks in de zaal aanwezige - Duitsers voor de Nederlandse intolerantie, en vond dat Nederland zich maar eens bewust moest worden van zijn “imperialistische houding ten opzichte van het zogenaamde kleine broertje Vlaanderen”. Noordervliet onderstreepte dat de veelgeroemde Nederlandse tolerantie altijd commerciële achtergronden heeft gehad, en deed tegenover medepanellid Frank Martinus Arion boete voor de rol van de Nederlanders in de slavenhandel. Discussieleider Abram de Swaan had de grootste moeite het gesprek weer terug te leiden naar het oorspronkelijke onderwerp.

Een uur later vlogen Vlamingen en Nederlanders elkaar in de haren tijdens een discussie over de stelling "Nederland en Vlaanderen zijn twee volkeren gescheiden door dezelfde taal'. Tegenover elkaar stonden enerzijds de Vlamingen Ivo Michiels en Paul de Wispelaere, die zich afvroegen of het verschil in taal tussen Vlamingen en Nederlanders ook een duidelijk verschil in literatuur teweegbracht, en de Nederlanders Marcel Möring en J.Bernlef, die dat een "onzinvraag' vonden. Möring: “Wat doet het er toe of je joods, halfdoof of Tukker bent, als je maar een goed boek schrijft.”

De discussie kwam in een stroomversnelling na Bernlefs provocerende uitspraak: “De Vlaamse poëzie behoort tot de dieptepunten van de Europese lyriek”. De in de zaal aanwezige Vlaamse dichter Dirk van Bastelaeren vond dat dit soort vooroordelen er voor had gezorgd dat Vlaamse auteurs jarenlang door Nederlandse uitgeverijen gediscrimineerd waren. “Wij zijn achtergesteld doordat het centrum van het Nederlandse taalgebied zich in Amsterdam bevindt, daar waar de toonaangevende uitgevers en critici wonen.”

Mörings repliek dat iedere provinciaal met talent in de Randstad kon doorbreken - hij was er zelf een voorbeeld van - was het startsein voor andere Vlamingen om zich te beklagen over het misplaatste superioriteitsgevoel van de Nederlanders. Aan het einde van het uur concludeerde de Nederlandse essayist Rudolf Geel dat de Duitsers van dit soort gezamenlijke confrontaties wel een heel raar beeld moesten krijgen: “Zij zien hier een vreemde secte, de Vlamingen, die in verzet komen tegen hun meesters”. Geel hoefde zich geen zorgen te maken. Hoewel de zaal eindelijk een keer goed gevuld was, waren er bij de Nederlandstalige discussie bijna geen buitenlanders aanwezig: slechts 4 van de 120 toehoorders hadden gevraagd om een oortelefoon met simultaanvertaling.

    • Pieter Steinz