Italiaanse minister treedt af na ruzie over privatisering

ROME, 11 OKT. De Italiaanse minister van industrie is gisteravond afgetreden na een conflict binnen het kabinet over de uitvoering van de privatiseringsplannen, een van de twee hoofddoelen van het economische beleid.

Het aftreden van minister Paolo Savona zal naar verwachting niet het kabinet van premier Carlo Azeglio Ciampi in gevaar brengen. Savona was een technocraat, afkomstig uit de bankwereld. Er was rond het middaguur nog geen opvolger voor hem benoemd.

Savona besloot op te stappen na een conflict met Romano Prodi, de president van de staatsholding IRI, de grootste onderneming van Italië. Prodi is dit voorjaar benoemd om orde op zaken te stellen binnen de holding. Een groot aantal IRI-bedrijven zal worden geprivatiseerd.

Savona verwijt Prodi dat hij niet voldoende vaart zet achter de privatiseringsplannen en bovendien dat hij kiest voor de verkeerde vorm van privatisering. De bewindsman probeerde het conflict ook uit te vechten via de media. Hij stapte op nadat premier Ciampi zaterdag in een verklaring achter Prodi was gaan staan.

De privatiseringsplannen zijn politiek buitengewoon gevoelig. In landen als Groot-Brittannië en Frankrijk is de ratio van privatisering vaak verhoging van de efficiëntie en de flexibiliteit. In Italië zijn er naast deze economische factoren ook politieke redenen: jarenlang zijn de staatsbedrijven door de regeringspartijen gebruikt voor vriendjespolitiek en cliëntelisme en als bron van smeergeld. Privatisering is daarom een essentieel onderdeel van de politieke vernieuwing in Italië, en de regeringspartijen hebben jarenlang de voorstellen daarvoor tegengehouden of vertraagd. De partijloze Ciampi, oud-gouverneur van de centrale bank, heeft een tijdschema opgesteld om nieuw uitstel te voorkomen.

De vertrekkende minister van industrie Savona heeft Prodi verweten dat de privatiseringsplannen voor twee grote banken van de IRI, de Banca Commerciale Italiana en de Credito Italiano, onnodig lang op zich laten wachten. Prodi's verweer is dat het veel tijd kost om potentiële kopers te vinden.

Achter het conflict schuilt een meningsverschil over hoe bedrijven moeten worden geprivatiseerd. Savona vindt dat het kabinet geen voorkeur moet uitspreken. Maar Prodi verzet zich ertegen om belangrijke onderdelen van de IRI als de twee genoemde banken te verkopen aan een industriële groep in de particuliere sector. Hij is een voorstander van wat hij de public company noemt, een bedrijf met een diffuus aandeelhouderschap.

Beide partijen gebruiken daarbij argumenten uit het kamp van de vernieuwers. Prodi zegt dat de verkoop van de twee belangrijke banken aan een groep in de particuliere sector zou leiden tot verdere machtsconcentratie, terwijl het smeergeldschandaal juist heeft aangetoond dat de Italiaanse economie behoefte heeft aan het doorbreken van de vaak gekochte monopoliepositie van een handvol grote groepen. Prodi heeft bij herhaling gezegd dat privatisering er ook toe zou moeten leiden tot verbreding van de economische top in het land.

Volgens een medestander van Savona, de voormalige Republikeinse partijleider Giorgio La Malfa, geeft een diffuus aandeelhouderschap juist meer kansen aan de oude politieke garde om via een paar zetbazen de dienst te blijven uitmaken in geprivatiseerde ondernemingen.

Het is de bedoeling nog voor het einde van dit jaar aandelen van Credito Italiano op de markt te brengen. Maar de strijd gaat vooral over de Banca Commerciale Italiana. Deze zou volgend jaar moeten worden geprivatiseerd. De honoraire president van de handelsbank Mediobanca, Enrico Cuccia, de architect van de belangrijkste industrieel-financiële allianties in Italië, wil de Banca Commerciale onderbrengen in een machtige alliantie van Noorditaliaanse ondernemingen, waartoe ook Fiat, Pirelli, en de verzekeringsmaatschappij Generali behoren.

    • Marc Leijendekker