Henze klaagt in zijn Requiem over alle leed

Concert: Schönberg en Asko Ensemble o.l.v. Oliver Knussen m.m.v. Marja Bon, piano, en Peter Masseurs, trompet. Hans Werner Henze: Requiem. Gehoord 9/10 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling 13/10 Dr. Anton Philipszaal Den Haag. Uitzending 15/10 20.02 uur Vara Radio 4.

Wanneer in het eerste deel van Hans Werner Henze's Requiem (1990-'92), Neun geistliche Konzerte für Klavier solo, konzertierende Trompete und Kammerorchester, een tedere ontboezeming in de strijkers overslaat in een loud lament, zoals de partituur dit voorschrijft op bladzijde 11, kan er geen misverstand meer over bestaan: in de Zaterdagmatinee werden we geconfronteerd met pure bekentenismuziek.

Aanvankelijk wilde Henze voor het London Sinfonietta een Achtste symfonie componeren, maar het werd een kort werk voor piano en klein orkest, waarbij hij de draad weer oppakte van een onvoltooid gebleven concert, 40 jaar eerder geschreven voor Boulez' serie Domaine Musicale. Henze's vriend en artistiek leider van het Sinfonietta was overleden en het korte concert onder de titel Introitus werd Henze's bijdrage aan het herdenkingsconcert op 6 mei 1990.

Vervolgens componeerde hij een Agnus Dei voor piano en strijkers en schreef hij in 1991 een Dies irae, Ave verum en Lux aeterna. In '92 werd het geheel afgerond door een Rex tremendae Tuba mirum, Lacrimosa Sanctus in steeds extraverter vormen, met nu een centrale rol voor de trompet, culminerend in een pompeuze finale met reminicenties aan de barokke chori spezzati, met nog twee trompetten achterin de zaal.

Alhoewel het Requiem ontstond als weerslag van een persoonlijk verlies, spreekt Henze over zijn instrumentale klaagzang als muzikaal verklankte “verhalen over de angsten en noden van de hedendaagse mens, over ziekte en dood, over liefde en eenzaamheid”. Hetzelfde gold in 1973 voor zijn zeer goed vergelijkbare, grootser opgezette Tristan, Preludes voor piano, geluidsband en groot orkest, want hier treurde Henze enerzijds over de dood van de schrijfster Ingeborg Bachmann, maar voerden anderzijds gevoelens over het neerslaan van de democratie in Chili hem naar een meer algemene queeste naar een betere wereld.

Van dat niveau is het Requiem helaas niet, het is reflectiever en meer ingehouden, zo men wil fletser, zij het dat de eerst gecomponeerde kamermuzikale stukken in hun sereniteit zeker intrigeren. Het begin van het Ave verum met zijn subtiele verstrengelingen van altfluit, klarinet en fagot biedt zeker een overtuigende vorm van neoromantiek. En het doet sympathiek aan, dat Henze zijn verleden - hij was tijdgenoot van Boulez en Stockhausen - niet geheel verloochent, gehoord de karakteristieke, expresisonistische intervallen in soli voor sopraan-saxofoon (Introitus) of Engelse hoorn (Lux aeterna).

Wellicht het meest typerend is het centrale Agnus Dei, een kwijnend adagio, in kleur te vergelijken met de dromerige glans van parelmoer, in geur met die van weeïgzoete seringen: Henze als een hedendaagse Grieg. De Tristan-Preludes klonken soms zo benaal dat je je afvroeg: dt kan niet waar zijn, maar het Reqieum biedt in zijn extraverte delen wel kitsch, maar geen interessante kitsch naar mijn smaak.

De hupse voorslagen van blazers en harp in het Dies irae beloven meer dan er volgt en ook de verschrikkingen van Rex tremendae en Tuba mirum zijn heel anders dan bij voorbeeld bij Kagel die ook zo van afgrijselijkheden houdt. Henze mist diens dubbele bodems, zijn expressionisme is in wezen niet meer dan een aftreksel van grote voorbeelden als Mahler en Berg. In vocale werken, zoals Voces, is hij op zijn best, waarmee hij een uitzondering vormt op met zijn genoemde generatiegenoten die juist excelleerden in instrumentale muziek.

De uitvoering in een gezamenlijke inspanning door het Schönberg en het Asko Ensemble was op het scherp van de snede zoals een "gewoon' symfonie-orkest dat maar zelden biedt, zowel - om twee uitersten te noemen - de verschrikkingen van "zwart bloed' als de mijmeringen "in lila' werden perfect getroffen en waar nodig ook nog eens in alle denkbare gradaties genuanceerd.

    • Ernst Vermeulen