Foto: De Engelse captain Hapgood gooit de munt op ...

Foto: De Engelse captain Hapgood gooit de munt op bij de toss voor de voetbal-interland in 1935 tussen Nederland en Engeland. Toen de arbiter nog toekeek bij dit ritueel. Engeland won met 1-0 door een doelpunt in de 46ste minuut van Worrall. Het Oranje-elftal dat louter uit amateurs bestond, ging strijdend ten onder tegen de superieur geachte profs.

Leo Halle, Kick Smit, Frank Wels en Beb Bakhuijs zijn inmiddels legendarische namen, maar hun roem werd niet vertaald in grote sommen geld. Puck van Heel (rechts op de foto) was aanvoerder.

Het uitverkochte Olympisch Stadion was kletsnat door de aanhoudende regen. “Maakte er bij een botsing een speler met moeder aarde kennis, dan was het in negen van de tien gevallen een oranjeman”, zo luidde het commentaar in de Katholieke Illustratie. De verslaggever vermeldde niet waarom de Engelsen minder last hadden van het spekgladde veld. Ook de Nederlandse doelman Halle bleef goed op de been en voorkwam met een aantal fraaie reddingen een grotere score.

Het genoemde blad was de tijd vooruit met zijn ongezoute kritiek op de Dordtenaar Kees Mijnders. Die had alleen zijn linkerbeen disponibel, een beperkende factor waarmee de gelouterde tegenstanders wel raad wisten. “Telkens dreef men Mijnders in den uitersten hoek, waaruit de bal dan alleen maar te voorschijn kwam als een Engelschman hem in zijn bezit had.” Tweebenigheid blijkt een universele voorwaarde voor volwassen voetbal.

Het begrip stopperspil is niet meer van deze tijd. In de jaren dertig waren grootmachten als Engeland en Duitsland al overtuigd van het nut van de stopperspil. In Nederland gingen sommige, door Engelse coaches geleide clubs over tot het nieuwe spelsysteem. Maar bondscoach Karel Lotsy durfde het tegen Engeland nog niet aan. Zoals het moderne Engelse voetbal nog steeds weinig moet hebben van de libero, de vrije man voor of achter de verdediging.

    • Jaap Bloembergen