Economische unie vordert; marge in monetair stelsel blijft nog ruim

GENVAL, 11 OKT. De EG-lidstaten hebben belangrijke vorderingen gemaakt bij de voorbereiding van de tweede fase van de economische en monetaire unie (EMU) die op 1 januari aanstaande ingaat. Maar er is nog geen enkel uitzicht op terugkeer van het Europese wisselkoersmechanisme naar de nauwe bandbreedtes van vòòr het uitbreken van de crisis, begin augustus.

Dat was de boodschap waarmee de ministers van financiën en de centrale-bankpresidenten van de twaalf lidstaten van de EG zaterdagmiddag naar buiten kwamen, na afloop van hun informele ontmoeting in een hotel aan de oevers van het meer van Genval, even zuidoostelijk van Brussel.

De aanwezige bewindslieden waren eensgezind in hun opvatting dat het voorlopig niet wijs is uitspraken te doen over de vraag wanneer de munten van de lidstaten formeel weer nauw aan elkaar worden geklonken. Op 2 augustus zagen de ministers van financiën zich gedwongen om de smalle bandbreedte van 4,5 procent op te geven. Het Europees monetair stelsel (EMS) moet het sinsdien doen met een bandbreedte van 30 procent, waarbij koersen 15 procent naar boven en 15 procent naar beneden mogen afwijken van een spilkoers. Alleen de Nederlandse gulden en de Duitse Mark kennen nog de 4,5 procent-marge.

President Wim Duisenberg van De Nederlandsche Bank zei dat de verbreding van de band tot 15 procent geenszins het loslaten van het EMS betekent. Het feit dat in de praktijk de toegestane marges lang niet volledig worden benut, bewijst dat ook. Een formele terugkeer naar de nauwe koersverhoudingen is volgens hem van groot belang, niet alleen voor het EMS maar ook voor de werking van de interne markt van de EG.

Maar, onderstreepte hij, dat zal een kwestie van lange termijn zijn. “We willen nadrukkelijk geen datum noemen. We willen bewust niet het idee laten ontstaan dat op korte termijn weer wordt gestreefd naar het vastleggen van smalle marges.”

Duisenberg - voorzitter van het Comité van bankgouverneurs van de EG-lidstaten - geeft er de voorkeur aan dat de discussie zich concentreert op de voorwaarden die moeten vervuld om het EMS met succes te kunnen repareren en om de weg vrij te maken naar de ene Europese munt, het uiteindelijke doel van economische en monetaire unie. Er zal sprake moeten zijn van "versterkte fiscale consolidatie', sanering dus van overheidsbegrotingen. En er zal sprake moeten zijn van een meer gelijk opgaande conjunctuur in de verschillende lidstaten, aldus Duisenberg.

De ministers en de bankpresidenten hielden zich afgelopen weekeinde vooral bezig met de technische voorbereiding van de tweede fase van de EMU. Het politiek uiterst gevoelige onderwerp van de keuze van de vestigingsplaats van het Europees monetair instituut (EMI) - de voorloper van de beoogde Europese centrale bank - laten ze over aan de regeringsleiders. Die zullen daarover waarschijnlijk eind deze maand op een extra Europese top in Brussel knopen doorhakken.

In het technische overleg - onder andere over het vastleggen van definities en van te volgen procedures - is veel vooruitgang geboekt, “veel meer dan ik had verwacht”, zei thesaurier-generaal Henk Brouwer van het ministerie van financiën na afloop. Hij verving de zieke Wim Kok. Brouwer en andere deelnemers aan het beraad zeiden dat iedereen zich uiterst “constructief” opstelt in de besprekingen.

Die waardering gold met name de Britse minister van financiën, Kenneth Clarke, wiens hoogste baas, premier Major, onlangs in The Economist vernietigend uithaalde naar de monetaire samenwerking in Europa. Major noemde het huidige tijdschema van de EMU - het Verdrag van Maastricht voorziet in 1997 of 1999 invoering van de ene Europese munt - kunstmatig en niet te verwezenlijken. Van zo'n afhoudende opstelling van Britse zijde was in Genval niets te merken. “Ik heb twaalf lidstaten van de EG gezien die werken aan de opbouw van de Economische en monetaire unie”, aldus ook het oordeel van de Franse minister Edmond Alphandéry.

De tweede fase van de EMU houdt verdere versterking in van de coördinatie van het monetaire en het economische beleid van de twaalf lidstaten. Er zullen onder andere gemeenschappelijke, globale richtsnoeren worden opgesteld voor het gewenste economische beleid in de EG. Vrijdagavond hield voorzitter Jacques Delors een exposé waarin hij het belang onderstreepte dat dit beleid spoort met de maatregelen in het dit najaar te verschijnen "witboek' over de concurrentiepositie van het Europese bedrijfleven en over de werkgelegenheid. Delors vroeg de aanwezige ministers bij het formuleren van hun beleid vooral rekening te houden met de alarmerende omvang van de jeugdwerkloosheid en de langdurige werkloosheid.

De aangesproken bewindslieden en bankpresidenten noemden het betoog van Delors zaterdag na afloop van de bijeenkomst “waardevol” en “interessant”. Maar ze wimpelden elke suggestie af als zou er aan worden gedacht om aan de al in het Verdrag van Maastricht vastgelegde monetair-financiële criteria voor toelating tot de EMU (zoals omvang van overheidsschuld en financieringstekort, inflatie en rente-ontwikkeling) criteria toe te voegen die betrekking hebben op de werkloosheid.

Zo'n koppeling zou ten onrechte de indruk wekken dat een afweging mogelijk is tussen een strikt budgettair overheidsbeleid om te voldoen aan de convergentiecriteria en de bestrijding van werkloosheid. Een dergelijke verbinding zou de misplaatste suggestie wekken, aldus Duisenberg, dat concessies op het ene vlak leiden tot een succesvoller aanpak van de werkloosheid.

Volgens de president van De Nederlandsche bank liggen de EMU en werkloosheidsbestrijding in elkaars verlengde. Ook voorzitter Delors van de Europese Commissie is volgens hem niet uit op versoepeling van de EMU-normen. “Gelukkig niet”, aldus Duisenberg. “Delors heeft heel terecht gewezen op het schrijnende probleem van de werkloosheid. Maar de boodschap is niet: je kunt de EMU wel vergeten”.

    • Wim Brummelman