Discussie over wielerdoden laait op na overlijden Geert de Vlaeminck

ROTTERDAM, 11 OKT. Geert de Vlaeminck, de Belgische amateurkampioen veldrijden, is zaterdag bij een wedstrijd in Heist op den Berg door een hartstilstand getroffen en later op weg naar het ziekenhuis overleden. De 26-jarige coureur, zoon van oud-wielrenner Eric de Vlaeminck, werd in de tweede van de elf ronden onwel, raakte van het parcours en botste tegen een boom.

Het Rode Kruis verleende onmiddellijk hulp. Het duurde echter ruim een half uur voordat een arts aanwezig was, tot mateloze ergernis van De Vlaeminck senior, de zevenvoudig oud-wereldkampioen die als nationaal bondscoach machteloos van dichtbij toekeek.

De Vlaeminck, die één seizoen zonder succes professional was, is in het Belgische wielrennen binnen vier jaar het zevende slachtoffer van een hartstilstand. De cardioloog Luc Janssens van het Imelda-ziekenhuis, waarnaar De Vlaeminck zaterdag werd vervoerd, herhaalde vanochtend in de Belgische krant Het Nieuwsblad “dat het vooroordeel dat vooral wielrennen een risico-zwangere sport zou zijn, niet juist is”.

De verhouding tussen Eric de Vlaeminck en Geert was overigens niet goed, omdat de vader zich zeer stoorde aan de geringe trainingsinzet van zijn getalenteerde zoon. Het tweetal had nauwelijks contact met elkaar, maar sinds Geert na zijn huwelijk serieuzer werd en in januari zelfs de Belgische titel veroverde leek een toenadering op komst.

In een studie van de Rijksuniversiteit Utrecht uit 1992 ("Plotse dood bij topsport') staat te lezen dat het overlijden van veertien Nederlandse en Belgische topwielrenners of nog intensief trainende oud-coureurs in de periode 1988-1990 doet vermoeden dat ook andere dan de normale mechanismen hierbij een rol spelen, “waarbij vaak aan doping wordt gedacht. Bij de wielrenners viel de verdenking onder andere op het gebruik van recombinant erytropoëtine of bloeddoping. Van een aantal (overleden) wielrenners is echter bekend dat zij geen doping hebben gebruikt.”

Na de dood van zeven Nederlandse renners tussen 1987 en 1990 - Bert Oosterbosch en Johannes Draaijer waren de bekendsten - stelde de medische commissie van de wielerunie (KNWU) een onderzoek in. Het kwam in ijltempo op gang nadat een Zwitserse krant suggereerde dat de Nederlandse wielerdoden het gevolg waren van het gebruik van erytropoëtine, een zuurstof transporterend middel dat prestatie-verhogend werkt. De leider van het onderzoek, de cardioloog Jan Oudhof, zei na afloop er allerminst van overtuigd te zijn dat erytropoëtine heel populair is in het peloton. Over de doodsoorzaak van de renners zeiden Oudhof en zijn collega's in het duister te tasten.

Oudhof toen: “In de meeste gevallen is nooit autopsie verricht. Ik zeg dan ook niet dat er door doping slachtoffers zijn gevallen.” Eerder vertelde de cardioloog in NRC Handelsblad dat “we een aantal van de overleden wielrenners niet moeten zien als sporters, maar als patiënten. Haal je de patiënten bij de groep weg, dan valt het aantal doden statistisch mee.”

Oudhof wees er toen op dat er duursporters zijn die na een griep, angina of virus-infecties dikwijls niet de nodige rust nemen. “In zo'n geval moet iemand zich liefst medisch laten bekijken, voor hij weer op de fiets klimt. Want het is bekend dat bij vijf procent van de virus-infecties een ontsteking optreedt aan de hartspier of het hartzakje. Dat kan een ernstig verloop hebben, ook sluipend. Als een wielrenner niet goed uitziekt en met koorts aan een zware inspanning begint kan dat leiden tot ritme-stoornissen van het hart met de dood als gevolg. Dat is het verhaal van Conny Meijer, van wie aanvankelijk werd gezegd dat ze aan een hersenletsel was bezweken.”

Dr. L. Schattenberg, de voorzitter van de medische commissie van de KNWU, zei vanochtend desgevraagd dat “al te snel” een doodsoorzaak wordt verondersteld. “Het enige wat we nu over De Vlaeminck met zekerheid kunnen zeggen is dat hij dood is. We moeten wachten op verder onderzoek en niet speculeren of heel slordig conclusies trekken. Onlangs las ik in een rapport van de Wereldgezondheidszorg dat er enige jaren geleden achttien Nederlandse wielrenners zijn overleden door het gebruik van erytropoëtine.”