De nar in de hofhouding van Brinkman; Profiel van GERRIT TERPSTRA

Morgen debatteren de financiële specialisten met minister Kok in de Tweede Kamer over de Miljoenennota 1994. Voor de CDA-fractie wordt het woord gevoerd door Gerrit Terpstra; het financiële geweten èn de hofnar van de fractie. Profiel van een Kamerlid dat worstelt met vragen als "is stier Herman gereformeerd' en "moet je het kabinet voor 0,65 procentpunt naar huis sturen'.

In de wandelgangen van de Tweede Kamer vertelt een parlementariër dat Freek de Jonge op dit moment een "weergaloze nar' speelt in King Lear van Shakespeare. “In de hofhouding van onze kroonprins Elco Brinkman vervult Gerrit Terpstra de rol van nar”, schertst het Kamerlid. “Met zijn rappe tong, donkere bril en karakteristieke motoriek is hij Woody Allen en Charley Chaplin in één persoon.”

Zijn humor wordt door bijna iedereen genoemd. “Soms blijft hij steken in het kabareteske”, meent Gerrit Ybema, de financieel woordvoerder van de D66-fractie. “Maar hij weet vaak zo de angel uit het conflict te halen.” Tom Vreugdenhil, de fiscaal specialist van de CDA-fractie, vertelt dat tijdens een fractievergadering de vraag aan de orde kwam of de genetisch gemanipuleerde fokstier Herman nakomelingen mocht verwekken. Na een pittige discussie kwam het volgend agendapunt. Brinkman zei dat Hans van den Broek (ex-KVP) wordt opgevolgd door Peter Kooijmans (ex-ARP). De katholieke fractieleden mokten “weer een gereformeerde in het kabinet ten koste van een katholiek”. Terpstra vroeg het woord. “Meneer de voorzitter. Weet u of stier Herman ook gereformeerd is?”

Binnen de CDA-fractie wordt de toon op sociaal-economisch en financieel terrein gezet door vice-fractievoorzitter Frans Wolters en het "trio Gerrit' zoals ze in de wandelgangen worden getypeerd; Gerrit de Jong, Gerit Gerritse, en Gerrit Terpstra. Terpstra is de eerste woordvoerder en wordt vaak “voor de troepen het mijnenveld in gestuurd”. Zoals bijvoorbeeld in de zomer van 1990 toen via hem het CDA-standpunt werd verwoord dat er tien procent moest worden bezuinigd op de subsidies. Het hele subsidie-circuit moet ter discussie worden gesteld. We moeten ons aanpassen aan wat gangbaar is in Europa en niet omgekeerd, zei Terpstra - die graag de "Europese norm' hanteert - in een vraaggesprek met de Werkgever; het clubblad van de christelijke werkgeversorganisatie NCW. Een moeilijke boodschap, meent een CDA-strateeg, “Maar Gerrit kan zo'n boodschap met zijn humor perfect verkondigen”.

Willem Vermeend, de fiscaal woordvoerder van de PvdA-fractie, bevestigt dit. Op zijn vraag aan Terpstra hoe de tien procent moest worden ingevuld, luidde het antwoord: “Broeder, daar ga ik niet over. Ik ben voor de grote lijn. Binnenkort krijgen jullie een A-viertje met de concrete invulling. Salut.” Fluitend vervolgde Terpstra zijn weg en volgens Vermeend is alleen Terpstra in staat om je “zo met een kluitje het riet in te sturen”. Vermeend: “Het lijstje met de concrete invulling hebben we trouwens nog steeds niet ontvangen.”

Met CDA-fractievoorzitter Elco Brinkman heeft Terpstra (53 jaar, getrouwd, drie kinderen) een hechte band. Hij is de belangrijkste adviseur van de toekomstige leider van de christen-democraten op financieel en sociaal-economisch terrein. In het Kamergebouw worden korte, zakelijke gesprekken gevoerd. In het weekend is er intensief faxverkeer tussen Leiden (Brinkman) en Utrecht (Terpstra). Meters papier verslindt het fax-apparaat van Brinkman, want het handschrift van zijn financieel woordvoerder is nagenoeg onleesbaar. Om dit te corrigeren worden cijfers en letters opgeblazen tot absurde grootte.

Belandt hij in een volgend kabinet op het regeringspluche? “Zijn capaciteiten zijn van dien aard dat hij zo Andriessen (economische zaken) of De Vries (sociale zaken) kan opvolgen”, meent ex-staatssecretaris van sociale zaken Louw de Graaf. Een CDA-bron die anoniem wenst te blijven, vreest dat het departement gek zou worden onder Terpstra's leiding. “Intellectueel zou hij het kunnen, maar zijn manier van optreden zou hem in de weg kunnen staan. En Gerrit Terpstra in een auto met chauffeur kan ik mij niet voorstellen. Hij heeft een soort charisma dat op gespannen voet staat met een ministersfunctie.”

Veel tijd investeert Terpstra in de werkgeversorganisaties VNO en NCW, en de vakcentrales FNV en CNV. De banden met de christelijke "broeders' is hechter want “we zijn van dezelfde stam”. Dit was medio jaren tachtig de belangrijkste reden voor de CDA-top om hem te benaderen voor het Kamerlidmaatschap. Nu zijn er op sociaal-economisch terrein veel spanningen tussen CDA en CNV. “Gerrit is onze verbindingsofficier om de boodschap te vertellen en een goede relatie te onderhouden”, erkent een CDA-strateeg. “En het CNV laat Gerrit niet vallen; hij was en is één van hen.”

Na de afronding van zijn studie economie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam werd Terpstra in 1964 beleidsmedewerker bij het Christelijk Nationaal Vakverbond. Met, aanvankelijk, veel geloof in de macht van de overheid. “Zijn geloof werd minder toen hij bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheid ging dragen”, zegt De Graaf. De voorzitter van de Ziekenfondsraad, ook ex-CNV, is een van de beste vrienden van Terpstra. Samen trokken ze in de jaren zestig en zeventig naar discussiebijeenkomsten van wat later de maatschappij-kritische vakbeweging ging heten.

Op veertienjarige leeftijd verhuisde Terpstra naar Amsterdam waar zijn vader was benoemd tot directeur van de christelijke detailhandelsvakschool. Tijdens zijn economie-studie aan de Vrije Universiteit woonde hij thuis en was één week lid van de Anti-Revolutionaire jongerenbeweging; de Arjos. “Tijdens mijn eerste vergadering werd gediscussieerd over de vraag of een Surinaamse student lid kon worden van de Arjos. Het ging om de vraag of iemand uit een andere cultuur de ideeën van Kuyper en Groen van Prinsterer kan uitdragen. Na een felle discussie was het antwoord "nee'. Als een Surinamer dat niet kan, kan een Fries het helemaal niet”.

Ook in zijn CNV-periode stond Terpstra, die na zijn Arjos-ervaring toch lid is geworden van de ARP, vaak op de bres voor de minderheden. Tijdens een vergadering over passende arbeid voor buitenlandse werknemers sloeg de vlam in de pan, weet CNV'er Piet Hazenbosch zich nog te herinneren. Passende arbeid was gekoppeld aan de woon-werk-afstand en sommige CNV'ers vonden het normaal dat voor buitenlandse werknemers een grotere woon-werk-afstand zou gelden dan voor Nederlanders. “Immers, de buitenlandse werknemer had er al een paar uur reizen op zitten om naar Nederland te komen om te werken”, zo luidde volgens Hazenbosch de redenering. “Gerrit verzette zich zeer fel tegen deze manier van denken”.

Zijn tweeëntwintig jaren durende loopbaan bij het CNV begon Terpstra als economisch medewerker. In die tijd leerde hij als CNV-vertegenwoordiger in de Sociaal-Economische Raad de mores kennen van de overlegeconomie. In 1978 werd hij benoemd tot bestuurder omdat hij volgens De Graaf zijn sporen had verdiend bij het zoeken naar een nieuwe identiteit voor de christelijke vakbeweging. In de jaren zeventig wilden de vakbonden NVV, NKV en CNV meer samenwerken, maar toen werd afgestevend op een fusie haakte het CNV af. De "C' kwam in gevaar. Na het afketsen van de samenwerking kampte het CNV volgens De Graaf met een identiteitscrisis en Terpstra heeft samen met voorzitter Harm van der Meulen de christelijke vakbeweging “weer een smoel gegegeven”.

In het partijblad CD-Actueel lichtte Terpstra in 1986 zijn overstap naar de politiek toe. “Net als mijn keuze voor het CNV in 1964 is mijn keuze voor het CDA nu ingegeven door mijn overtuiging dat het Evangelie niet alleen waarde heeft voor het persoonlijk leven, maar ook voor de gehele maatschappij. (-) Het "samen verantwoordelijkheid zijn' trekt mij aan in het CDA.”

Deze opvatting heeft tot gevolg dat hij een van de trouwste participanten is van het meest unieke fenomeen van het Nederlandse overlegcircuit: het Convent van christelijk sociale organisaties. In hèt gespreksforum van de christelijke werkgevers-, werknemersorganisaties en het CDA ontmoeten de "C-organisaties' elkaar minimaal één keer per kwartaal. “Het Convent slaat een brug: waar meningen dreigen te botsen, kun je in het Convent vaak een werkbare oplossing vinden”, aldus NCW-directeur Hans Weitenberg. Terpstra laat volgens Weitenberg geen kans voorbij gaan om een fel pleidooi te houden voor confessionele gedachtengoed van het "subsidiariteitsbeginsel' en het principe van de "souvereiniteit in eigen kring': de overheid moet zich niet met zaken bemoeien die werkgevers en werknemers zelf kunnen afhandelen. “Wanneer ik in het CDA-verkiezingsprogramma lees dat de werknemersverzekeringen, zoals WW, Ziektewet en WAO, worden overgedragen aan de sociale partners. Dan denk ik "ha, de hand van Gerrit”', zegt Weitenberg.

Het Convent heeft volgens Terpstra een “doorslaggevende” rol gespeeld in “het afbouwen van de invloed van de staat en het vergroten van de macht van de werkgevers- en werknemerscentrales in de periode 1979-1982”. Onder leiding van PvdA-leider en premier Joop den Uyl ging de overheid zich in de jaren zeventig intensief met het economisch leven bemoeien. Maar waarom presteerde diens "maakbare samenleving' zo slecht? Was de invloed van de Staat te groot, of lag er onenigheid tussen overheid, werkgevers en werknemers aan ten grondslag? Terpstra houdt het op het laatste. “Een belangrijke succesfactor van een land wordt bepaald door de mate waarin werkgevers, werknemers en overheid het eens zijn over de werkverdeling. In de jaren vijftig werd de leiding van de staat geaccepteerd, in de jaren zeventig niet meer.” Met het Akkoord van Wassenaar - in 1982 over rendementsherstel, loonmatiging en herverdeling van werk - werd volgens Terpstra de consensus uit de jaren vijftig en zestig weer opgepikt.

Morgen debatteert Terpstra met minister Wim Kok (financiën) over de Miljoenennota 1994. Toen Kok dit voorjaar aankondigde dat hij een "tandje minder' wil bezuinigen, was de financieel-woordvoerder van het CDA de eerste die riep dat het kabinet moest vasthouden aan de afspraken van het regeerakkoord. Het financieringstekort van het rijk bedraagt volgend jaar 3,9 procent van het nationaal inkomen; ruim boven de afspraak van 3,25 procent. Maar meer bezuinigen zijn volgens Kok slecht voor de werkgelegenheid.

“Wij beoordelen het kabinet in de eerste plaats aan de normen die zijn afgesproken bij het opstellen van het regeerakkoord”, zei Terpstra toen. “Een tegenvallende conjunctuur is geen excuus om je afspraken niet na te komen.” Morgen zal hij dit standpunt herhalen, zo verzekert hij desgevraagd.

Terpstra: “Ik blijf de economische argumentatie van Kok bestrijden dat extra bezuinigingen ten koste gaan van de werkgelegenheid. Maar ik heb te leven met de politieke realiteit dat eerst Andriessen daarna Lubbers en vervolgens Kok een oogje wilde dichtknijpen bij de financiële doelstelling. Twee prominente CDA'ers waren de PvdA-leider dus voorgegaan. En moet je het kabinet voor 0,65 procentpunt naar huis sturen?”

    • Cees Banning