ANDREAS PAPANDREOU; Niet de man van tien jaar geleden

ATHENE, 11 OKT. De terugkeer, na ruim vier jaar, van Andreas Papandreou (74) als premier van Griekenland zal door hem in de eerste paats worden gevoeld als een persoonlijk eerherstel. In de jaren '89 en '90 was zijn prestige in binnen- en buitenland geslonken door allerlei zware beschuldingen, die hem aan de rand van de gevangenis leken te brengen, alsmede door wat werd genoemd zijn lichtzinnige levenswandel met de jonge Dimitra Liani.

Laatstgenoemde is inmiddels door de meeste Grieken als echtgenote geaccepteerd en van de beschuldigingen is hij niet alleen met 7 tegen 6 stemmen vrijgesproken, ook komen er steeds meer gegevens aan het licht die erop wijzen dat het bezwarend materiaal een produkt was van machinaties, waaraan de Conservatieve Partij Nieuwe Democratie (ND) niet vreemd was. De "ongerustheid' bij het vooruitzicht van een nieuwe PASOK-regering, waarvan de scheidende premier Mitsotakis gisteravond gewag maakte, kan dus op verschillende manieren worden opgevat.

Maar ongerustheid is er ook bij waarnemers in binnen- en buitenland, die niet voor eigen hachje hoeven te vrezen. Papandreou moge dan juridisch onschuldig zijn, hij blijft fysiek en psychisch zeer onvolmaakt. Na zijn zware hartoperatie vijf jaar geleden lijkt hij niet in staat, het vermoeiende ambt van premier te vervullen, zeker niet na 1 januari als Griekenland voor 6 maanden voorzitter van de EG wordt en het Verdrag van Maastricht in werking treedt. Hij komt nauwelijks zijn woning meer uit en zijn lopen is een soort schuifelen geworden. Van de figuur van de - in Griekenland vrijwel onbekende - Andonis Livanis, tevoren directeur van zijn politiek bureau, schijnt hij een soort schaduwfunctionaris te willen maken, die hem in binnen- en buitenland veel werk uithanden moet nemen. Maar bevredigend lijkt deze oplossing allerminst.

Papandreou bleek in zijn achtjarige regeerperiode ook een groot aantal karakterfouten te vertonen, die er mede toe bijdroegen dat hij uit de gunst raakte. In de eerste plaats is hij onberekenbaar en wispelturig. Voorts ontbreekt het hem aan elke vorm van teamgeest. De manier waaorp hij in de jaren tachtig zijn beste ministers heeft weggewerkt is nog steeds berucht, al vergeten de Grieken gauw. Heltzelfde gebrek aan geacheveerdheid vertoonde hij de afgelopen weken bij zijn behandeling van Vaso Papandreou (geen familie), tot voor kort EG-commissaris en als zodanig het in Europa meest gerespecteerde PASOK-kopstuk, die hij op het laatste moment naar een veel moeilijker kiesdistrict verwees - hij is overigens met een recordaantal voorkeurstemmen gekozen - en van een kandidaat uit Kavalla die het waagde, de opvolgingskwestie ter discussie te stellen en door de Leider werd uitgeschakeld.

Zal die eigenmachtigheid, waarmee hij zich in veler ogen onmogelijk maakte in de jaren tachtig, in de komende periode blijken te zijn verzacht? In veel andere opzichten is de Papandreou van vandaag niet meer die van tien jaar geleden. De ND heeft de laatste weken tot in den treure een televisiespotje vertoond waarop men eerst Mitsotakis zag in contact met alle denkbare gerespecteerde Westerse staatslieden en daarna Papandreou, Gadaffi kussend. Het Derde-Wereldcomplex uit de jaren tachtig lijkt echter bij Papandreou verdwenen en ook hij ziet nu de noodzaak van een volledige oriëntatie op de EG in. Niet vergeten mag trouwens worden dat Papandreou binnen de EG weliswaar als bête noir wordt beschouwd, maar dat een onder zijn auspiciën georganiseerde topconferentie op Rhodos in 1988 naar aller erkenning een van de meest geslaagde is geweest. In Amerika is Papandreou tijdens zijn vorige periode nooit uitgenodigd, maar nu wordt verwacht dat de uitnodiging die reeds voor Mitsotakis gold, ook tot hem zal worden uitgestrekt.

Wat de interne economie betreft, zal Papandreou zich, of hij wil of niet, wel aan de EG-richtlijnen moeten houden, met andere woorden: voortzetting van de versobering. Tegen zijn gewoonte in, heeft hij geen onmiddellijke verbetering van het levenspeil beloofd. Uit alles blijkt dat hij de laatste tijd veel naar zijn Spaanse partijgenoot Gonzalez heeft gekeken. Hij spreekt over de noodzaak van een sociaal contract en wil op korte termijn zestig van de meest prominente Griekse ondernemers bijeenroepen. Net als Mitsotakis - die overigens pas in de laatste maanden succesvol was - beschouwt hij de strijd tegen de nog steeds veel te hoge inflatie als eerste prioriteit. Loonsverhoging wordt aan stijging van de produktie gekoppeld. Op economisch gebied zal er de komende tijd dus niet veel veranderen.

En de buitenlandse politiek? Papandreou belooft dat deze "trots' zal zijn en in het vernieuwde partijmanifest is sprake van de noodzaak van “benutting van onze orthodoxe identiteit”, kreten die Mitsotakis nooit heeft gebruikt. Toch zal Papandreou's politiek waarschijnlijk ook hier pragmatischer uitvallen dan door velen - onder wie Mitsotakis, die over oorlogsgevaar sprak - wordt gevreesd.

Buurstaat "Skopje' zal weliswaar niet worden erkend onder een naam die de term Macedonië bevat - Mitsotakis stond op het punt zo'n samengestelde naam te aanvaarden - maar Papandreou wordt de laatste tijd niet moe te verklaren dat binnen die "niet-erkenning' nog allerlei plooibare benaderingen bestaan, waarbij hij verwijst naar Israel, dat door Athene ook tientallen jaren niet de jure werd erkend, maar waarmee de facto gewone verhoudingen bestonden.

Dit de facto geldt over de hele linie voor de verwachtingen die aan Papandreou moeten worden gesteld. Voor wie hem van vroeger kent, lijkt er alle reden tot zorg, maar de facto kan het alleen maar meevallen.

    • Frans van Hasselt