Aáhoehoi!

Half in slaap, met nog een deel van mijn hart in een ver land, hoor ik buiten in de vroege ochtend het geratel van een kar. Meteen lig ik in mijn jongensbed van vroeger. Winter en bloemen op de ramen. Sneeuw op de vensterbank boven mijn hoofd, want we wonen in een tochtig huis. De geur van brandend aanmaakhout en een scheutje petroleum. Moeder is beneden al in de weer met de kachel.

“Opstaan!”

Nooit is je bed behaaglijker en warmer dan wanneer er in de koude winterochtend wordt geroepen: “Opstaan. Opstaan!” Dan hoor ik buiten de kar en de hese stem van het gebochelde soepenbrijmannetje: “Haite páááp. Haite páááp!” Fluks mijn bed uit. Want nu weet ik dat het zaterdag is. Ik hoef alleen vanochtend naar school en vanmiddag ga ik met mijn vriendje Jacob naar de film, naar "Tarzan en de Luipaardkoningin!' Aankleden en even in de keuken met een washandje een fleer water over mijn gezicht. “Doe een das om”, zegt moeder en geeft me het grijze, emaille melkemmertje en twee dubbeltjes voor twee liter karnemelksepap. De allerlekkerste pap die je je kunt voorstellen. Pap van karnemelk, met dikke, grove gort die we alleen op zaterdag eten, omdat dan het gebochelde soepenbrijmannetje ermee langs de huizen gaat. Hij draait met een sleutel de kraan van de koperen ketel open en laat de gloeiend hete pap in mijn emmertje stromen. Precies twee liter. Daar heeft hij geen maatbeker bij nodig. Brrr. Wat is het koud. Ik snuif de zoetzure damp op. Het water komt me in de mond. Het soepenbrijmannetje is aardig. Hij heeft eigenlijk een te dun jasje aan. Zijn pet is te groot voor zijn hoofd. Goed dat hij van die grote, rooie oren heeft, anders zou die gemakkelijk over zijn ogen zakken.

Moeder heeft de borden klaargezet. De stroop in het midden. 't Is al acht uur. We moeten ons haasten voor school. Ik teken met mijn lepel stroop nog even gauw een kerk en een vogel in mijn pap. Ik laat het mijn zusje zien. De laatste keer roerde ze met een venijnige haal mijn tekening door elkaar en ik kwakte mijn hele bord met pap en stroop over haar pijpekrullen. Nu gebeurt er niets. Iedereen eet zijn pap. Buiten klinkt de stem van het soepenbrijmannetje: “Haite páááp. Haite páááp!” “Niet zo slurpen”, zegt moeder.

's Middags in "De Beurs' naar Tarzan. Vooraan. Vijfenveertig cent: "Loge nekkramp'. 't Is geen ongevaarlijke plaats daar voorin tussen de grote slobbers. Je hebt zo een stomp of klap te pakken. Als de hoofdfilm begint vergeet ik alles. Johnny Weissmuller. “Aáhoehoi!” Boven de opengesperde muilen van de panters, scherend aan een liaan over de klappende krokodillebekken.

Als we weer op straat in het koude daglicht staan, zijn Jacob en ik allebei natuurlijk Tarzan. “Aáhoehoi!” Je bent meteen een stuk sterker en een héél stuk dapperder. Spierballen. Moet je eens voelen. Ik sla met mijn vuisten op mijn borstkas. “Aáhoehoi!” We slingeren rond een lantarenpaal. Zonder moeite zou ik zo tegen die regenpijp naar boven kunnen klimmen. Rakelings voor een auto langs. Bijna ging die meneer zijn hoed door de lucht. We hangen achter een paard en wagen en razen daarmee door de jungle. Aan de kant, daar komen twee mensenreddende Tarzans aan. Het recht zal zegevieren. Aan de kant met die stomme bakkerskar. “Aáhoehoi!” Daar heb je de slobbers die ook in de bioscoop zaten. Zeg hé, ik laat me niet stompen. Weg wezen. Ze zijn met zoveel. Ik raak buiten adem. Ook de Tarzan van Jacob laat het min of meer afweten. Tegen zoveel jagers op groot wild is zelfs hij niet opgewassen.

Middenin een steeg staat ons soepenbrijmannetje. Zijn koperen ketel lijkt veel kleiner dan bij ons 's ochtends voor de deur. “Aáhoehoi!” schreeuwen de slobbers achter ons. Doorlopen. Aan het eind van de steeg draaien we ons nog even schichtig om. Ze hebben het nu op ons soepenbrijmannetje voorzien. Hij wordt aan alle kanten geduwd en gestompt. Daar vliegt zijn pet van zijn hoofd. Ze gaan er toch niet met zijn ketel vandoor? “Aáhoehoi!”

“Er zit toch geen pap meer in”, zeg ik tegen Jacob.

Thuis vraagt moeder of het niet zo'n leuke film was, dat ik zo sip naar buiten zit te kijken.

    • Jean-Paul Franssens