WAAROM ONS BED 120 CENTIMETER BREED IS

Bouwen in Amsterdam. Het woonhuis in de stad door H.J. Zantkuijl 757 blz., geïll., Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad / Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg / Gemeentearchief Amsterdam / Architectura & Natura 1993, f 150,--tot het einde van dit jaar, daarna f 200,-- ISBN 90 1570 28 2

Wie de oudste vormen van het stadshuis wil opsporen, moet niet in de stad zelf zijn, maar op het platteland. Dat is de eerste les die H.J. Zantkuijl ons leert in zijn boek Bouwen in Amsterdam. In de traditionele boerderijbouw worden nog eeuwenoude houtconstructies toegepast die in de steden al honderden jaren geleden zijn verdwenen.

Bouwmaterialen veranderen, hout en leem worden in de late Middeleeuwen langzamerhand vervangen door baksteen. In dit proces wordt alleen vervangen, de plaats blijft dezelfde en zo komt het dat allerlei maten in de stad nog middeleeuws zijn. De breedte van straten bijvoorbeeld, maar ook de breedte van onze moderne bedden. Die maat van 120 cm is een overblijfsel van de zijbeukmaat van de houten driebeukige huizen uit de veertiende eeuw. In de lage zijkanten onder het schuine dak lagen namelijk de bedsteden. Toen die lage zijbeuken in het verstedelijkingsproces achterwege werden gelaten en het woonhuis nog maar uit één beuk (de ruimte onder een balklaag) bestond, werd de bedstede met behoud van de oude maat "naar binnen gedrukt' zoals Zantkuijl dat noemt.

Het is beeldspraak, maar ook een paradigma voor de manier waarop hij veranderingsprocessen in de huizenbouw probeert bloot te leggen. Hierbij maakt hij een onderscheid tussen essenties en voorbijgaande dingen. Bij de historische ontwikkeling van het stadshuis ligt de essentie in het traditionele bouwvak en het voorbijgaande in de uiterlijke vormgeving. Het ambacht behoort om zo te zeggen tot de "longue durée', en de architectonische stijl tot de evenementen. Voor Zantkuijl is de uiterlijke vorm een zaak van "een plotselinge inspiratie', afhankelijk dus van artistieke bevliegingen. Niet de artiest, die nu eens een krul meer en dan weer eentje minder wil, maar de nuchtere meestertimmerman heeft de basis gelegd voor de hoofdbestanddelen van het stadshuis. Op die basis is gedurende eeuwen gevarieerd zonder dat de gegroeide stadsstructuur ooit werd geschaad.

Het geheim van die harmonische ontwikkeling ligt in het traditionele bouwvak en dat wil Zantkuijl onthullen ten behoeve van het welstandstoezicht en de monumentenzorg. Sinds de tweede helft van de vorige eeuw liggen de grote bouwopdrachten buiten de oude stad, waardoor de waardevolle traditie van het bouwen in de stad verloren is gegaan. En daarom wordt de oude stad in onze tijd zo bedreigd door arrogante nieuwbouw. ""Veel onaangepast bouwgedrag en stadsgebruik in onze tijd komt voort uit het niet meer weten waarom onze voorouders de stad zó bouwden als wij haar nu liefhebben'', aldus Geurt Brinkgreve in een toelichting op de ontstaansgeschiedenis van Bouwen in Amsterdam.

ACHTER HET BEHANG

De problemen die met de gehate, grootschalige inbreuken in de oude stad samenhangen laat Zantkuijl evenwel voor wat ze zijn om iets te laten zien wat je in geen enkel museum kunt zien, namelijk wat er achter het behang zit. Je trekt het weg en staat plotseling oog in oog met 1930, 1900 of 1750. Iedereen kent de lichte schok die je krijgt bij een dergelijke confrontatie met het verleden. Archeologen zijn verslaafd aan die sensatie. Wij leken zien maar een fractie van wat zij kunnen zien, omdat zij, zoals Zantkuijl, een heel leven besteden aan het ontcijferen en combineren van ontelbare gegevens.

Zo weten we nu dat de meeste Amsterdammers in de vijftiende eeuw nog in kleine houten huisjes met lemen wanden woonden: het rieten dak begon al bij ongeveer 3,75 meter. Een plafond was er niet omdat er op de vloer werd gestookt en de rook via een luik in het dak naar buiten werd afgevoerd. Als er brand uitbrak, wat regelmatig voorkwam, veranderde de primitieve stad in een hel. Men bluste met natte lappen, want het zou nog eeuwen duren voordat iedereen stromend water had, tot in de twintigste eeuw om iets nauwkeuriger te zijn.

Wij zijn niet alleen de traditionele bouwambachten vergeten, maar ook de trage gang van technische vernieuwingen. Het heeft ook enkele eeuwen geduurd voordat in alle huizen een stenen stookplaats met rookkanaal was. Toch gingen de ontwikkelingen in de steden nog veel sneller dan op het platteland. In 1862 telde het eiland Marken slechts 40 schoorstenen op de 223 huizen. En kort na de Tweede Wereldoorlog waren daar zelfs nog enkele zogeheten rookhuizen, waar op de vloer van de kamer werd gestookt.

In Delft was het nog in de achttiende eeuw een bijzondere luxe om een ledikant of bedstede te bezitten. Meestal was er maar één matras per huishouden. De meeste mensen sliepen op de grond. Dit ontleen ik aan de studie Achter de gevels van Delft van de historica Thera Wijsenbeek-Olthuis uit 1987.

Aan de geschiedenis van het wonen besteedt Zantkuijl minder aandacht omdat zijn boek ook bedoeld was als compendium voor studenten Bouwkunde in Delft. Historici weten zelden goed raad met bouwkundige aspecten van de historische architectuur, laat staan dat ze weten wat bijvoorbeeld een getrapte weeg is. Men kan het in Bouwen in Amsterdam gemakkelijk opzoeken. Veel van die middeleeuwse termen zijn tot op heden in het bouwvak in zwang gebleven. De gilden zijn weliswaar al in de Franse tijd afgeschaft, maar de vaktaal werkt nog steeds als een soort code.

De geschiedenis van het bouwvak is geen dorre techniek. Zij kent haar eigen poëzie. Men spreekt bijvoorbeeld van de verstening van het houten huis en tegelijkertijd ook van de verhouting van het stenen huis. Het poëtische ervan ligt in de dynamiek van die processen. Terwijl de houten wanden langzamerhand worden vervangen door stenen muren, is er ook een omgekeerd proces gaande waarbij de muren van het stenen huis in de stad, dat als type teruggaat op veertiende-eeuwse adellijke stenen kamers ten plattelande, onder invloed van de houtbouw langzamerhand hun dragende functie afstaan aan houten balken en muurstijlen.

Houten en stenen huizen gaan dus op elkaar lijken, maar de bouwhistoricus kan hun herkomst nog herkennen aan de verschillen in verdiepinghoogten. Dat komt doordat de verdiepingen in het stenen huis uit het verdiepen van de zoldervloer zijn ontstaan. Daar komt ons woord verdieping vandaan. Een houten huis werd verhoogd door er nog een "stage' of etage op te zetten, dus waren deze hoger. Wie de schoonheid van dit soort processen niet kan waarderen, moet het boek van Zantkuijl maar aan iemand cadeau doen die het wel kan.

TRADITIES

Zijn die vroegste ontwikkelingen van het woonhuis al wonderbaarlijk, later wordt het nog fascinerender. De stookplaats wordt tegen de muur geplaatst en vervolgens van de rest afgescheiden. Zo ontstaat de ruimte die binnenhaard wordt genoemd. Wat overblijft is het onverwarmde voorhuis. Het voorhuis werd winkel of werkplaats, de binnenhaard keuken. Om van de omhoog stijgende warmte te kunnen profiteren werd er een lage ruimte boven de binnenhaard aangelegd, de insteek. Het gevolg daarvan was weer dat de insteek als woonruimte in gebruik werd genomen en vergroot werd door de binnenhaard te verdiepen. Ten slotte kwam daar ook een stookplaats. In de zestiende eeuw was vrijwel elke insteek of opkamer in het westen van Nederland voorzien van een schouw.

De inwendige ruimtelijke ontwikkeling van het woonhuis is een proces dat niet aan een enkel huis is af te lezen, maar pas zichtbaar wordt door de vergelijking van een groot aantal huizen. Het is juist deze indirecte, bijna abstracte reconstructie van de ruimtelijke ontwikkeling die dit soort studies aantrekkelijk maakt.

De tradities van het bouwvak, daar gaat het in dit boek vooral om. Toch ontkomt de schrijver er niet aan ook iets te zeggen over de bijdragen van architecten en andere artiesten. Gelukkig behandelt hij ze allemaal, maar waar typisch kunsthistorische onderwerpen aan de orde komen, krijgt zijn tekst iets plichtmatigs. Over de achttiende-eeuwse romantiek vertelt hij bijvoorbeeld dat de ""emotie de basis van de voorliefde voor de voortbrengselen van het verleden'' was. Je voelt dat die dingen hem niet echt interesseren.

Feitelijke informatie over tastbare zaken, daar is het boek sterk in. Wij weten nu dank zij dit boek dat er in 1780 aan de Kalverstraat tussen het Burgerweeshuis en de Begijnesteeg een nieuwe fabriek voor geschilderde papierbehangsels was gekomen en dat in 1854 de Maatschappij voor de Werkende Middenstand werd opgericht. Het boek bevat een schat aan dergelijke "petites histoires'. Er schijnt geen poging gedaan te zijn Zantkuijls uitpuilende kaartenbakken aan een of ander selectieproces te onderwerpen. Dat maakt het boek juist aantrekkelijk, want trivialiteiten maken ook deel uit van de geschiedenis.

De dikke pil van Zantkuijl bestaat uit zestig afleveringen die tussen 1973 en 1992 verschenen (de laatste gaat over de periode 1890-1940). Het is dus eigenlijk een soort encyclopedie waarin alle belangrijke bouwkundige zaken de revue passeren, zoals funderingen, deuren, vensters, trappen, kachels, verven, stucwerk en zelfs behangsels. Het bevat maar liefst 2671 afbeeldingen: foto's en tekeningen. En het blijkt niet alleen over woonhuizen te gaan, maar ook over torens, kerken, gasthuizen, theaters, badhuizen, koffiehuizen, stations, gasfabrieken enzovoort. Er worden gelukkig ook gebouwen behandeld die al lang geleden zijn verdwenen, zoals de mooie houten schouwburg op het Leidseplein van J.E. de Witte uit 1773 (in 1890 vervangen door de huidige). Wie niet zo goed bekend is in Amsterdam moet nog wel een kaart van de stad aanschaffen, want die ontbreekt.

    • W.F. Denslagen