WAAR STAAT DE CAMERA?

L'Etat séducteur. Les révolutions médiologiques de pouvoir door Régis Debray 200 blz., Gallimard 1993, f 34,85 ISBN 2 07 073640 7

Vroeger had je de echte partijganger. Elk moment stond hij klaar om te discussiëren, onvermoeibaar ging hij langs de deuren om z'n ideeën aan de man te brengen. Hij droeg een slordig jasje, uit een van z'n zakken stak het partijprogramma. Of hij er goed uitzag, of hij "goed overkwam', was van ondergeschikt belang. Volgens Régis Debray's L'Etat séducteur is de oude partijganger een uitstervend soort, langzamerhand opzij geschoven door mensen die minder trouwhartig zijn, maar over een andere kwaliteit beschikken: ze zijn mediageniek. Deze nieuwlichters dragen nooit een partijprogramma bij zich omdat hun voornemens elke dag kunnen veranderen. Debray noemt ze de bestuurders van de Télétat.

Régis Debray (53) houdt van afwisseling. In de jaren zestig was hij marxist, volgeling van Che Guevara en bevriend met Fidel Castro. Als een namaak-guerrillero heeft hij nog een tijdlang over het Zuidamerikaanse continent gezworven en in Bolivia zelfs enige tijd gevangen gezeten. Aan het eind van de jaren zestig werd duidelijk dat hij de gevestigde orde niet werkelijk bedreigde.

In 1981 raakte Debray in de politiek verzeild. Hij werd adviseur van president Mitterrand en installeerde zich op het Elysée. Een hemelbestormer was hij allang niet meer.

Vier jaar geleden nam Debray ontslag en sindsdien schrijft hij weer. Hij werkt hard, publiceert jaarlijks een boek dat door de één briljant, door de ander irritant wordt bevonden. Inmiddels noemt hij zich medioloog. De medioloog, aldus de schrijver aan het begin van l'Etat séducteur, verricht onderzoek naar de beeldtaal van de moderne media. Zijn belangstelling gaat in het bijzonder uit naar de verhouding tussen media en machthebbers. Zijn er soms nieuwe woorden, tekens of symbolen waarvan de politieke elite zich bedient? Is de politiek zelf ook veranderd met de opkomst van die nieuwe media?

Voor wie op zoek gaat naar tekenen van machtsvertoon, is Frankrijk een uitgelezen land. Sinds eeuwen is de heersende klasse hier toegewijd en talentvol in de weer om het volk te imponeren. Lodewijk XIV had schrijvers en dichters in dienst, die de glorie van de koning luid bezongen. In "The fabrication of Louis XIV' schreef Peter Burke hoe er 320 verschillende medailles werden geslagen ter nagedachtenis aan de heldendaden van de koning, die, terwijl hij zelf onzichtbaar bleef, een beeld van zichzelf schiep dat de werkelijkheid verre overtrof.

PROPAGANDA

Volgens Debray heeft de komst van democratie en televisie dit alles veranderd. In deze tijd is het de heerser niet geraden om onzichtbaar te blijven; wie zich verstopt is verdacht. Maar paradoxaal genoeg doet zijn regelmatige verschijning op de televisie hem een deel van zijn aanzien verliezen.

Wel kreeg de heerser een nieuw wapen in handen. Wie het organisatiemodel van een willekeurig ministerie bekijkt, raakt onder de indruk van de omvangrijke propaganda-afdeling. Ook is in één oogopslag te zien hoe vandaar een rechte lijn loopt naar het hoogste gezag. Debray maakt een vergelijking met de tijd van De Gaulle, toen in de buurt van de president een enkele voorlichter rondhing; het ging om degene die voor journalisten de deur openhield.

Doordat reclame en propaganda van de overheid in handen van vaklui zijn gekomen, is er een nieuw probleem ontstaan. Voortaan moest de bevolking dagelijks worden geïnformeerd over het landsbestuur. Hoe? Door de televisie, maar dat vereiste actie, drama en emoties, zaken die de alledaagse bestuurspraktijk niet kon bieden. Volgens Debray heeft de communicatiedwang van de overheid haar taken vèrgaand beïnvloed. Saaie werkzaamheden raakten steeds meer uit de belangstelling; nieuwe, vooral spectaculaire werkzaamheden wonnen terrein. Hij neemt het Franse onderwijs als voorbeeld. Sinds de Revolutie vormde het onderwijs een obsessie. Leren en studeren, dat betekende verheffing van het volk en geen inspanning was te veel om mensen naar school te krijgen.

Nog altijd is het Franse onderwijs een reusachtige organisatie die vele miljarden ontvangt, maar, zegt Debray, de passie voor het onderwijs is verdwenen. De televisie heeft op scholen niets te zoeken - een klas met leerlingen die over hun dictee gebogen zitten, levert geen spectaculaire beelden op. En waar de televisie wegblijft, laten ook politici het afweten. Veel belangrijker zijn de kunsten geworden, ooit een kleine aftakking van het onderwijs. Jack Lang, vanaf 1981 kunstminister, deed zich als geen ander gelden. Naast de kunst ontfermde hij zich ook over reclame, mode, graffiti en strips. De kunst was overal, iedereen was kunstenaar - een "jeune créateur' in het taaltje van de minister - en aan opzienbarende manifestaties was geen gebrek. Doordat de gehaaide Lang zich graag omringde met filmsterren, beroemde schrijvers, modekoningen en rappers, baarde zijn verschijning opzien. Waar hij kwam moest iets gevierd worden en wat lag meer voor de hand dan de televisie daarvan verslag te laten doen?

Voor de norse politicus was in deze context geen plaats meer. De moderne bewindsman kleedde zich vrolijk, zijn altijd gebronsde gelaat vertoonde een glimlach die van geen wijken wist. Het tijdperk was aangebroken, waarin de politicus zich thuis liet filmen: ontspannen met de kinderen, even stoeien met de hond en daarna naar de keuken om vrouwlief te vragen of hij nog ergens mee kon helpen. Vanaf 1992, toen Lang minister van onderwijs werd, bleef hij z'n best doen om de aandacht te trekken. Op lycea liet hij condoom-automaten plaatsen en in de afgelopen winter stelde hij her en der scholen beschikbaar voor zwervers. Een mooi symbool, aldus Debray: het schoollokaal, vanouds een plek van inspanning en tucht, was veranderd in ontspanningsoord, een plek om op adem te komen.

KOUCHNER

Debray neemt een soortgelijke verschuiving waar in de buitenlandse politiek. Wat zich achter gesloten deuren afspeelt, is voor een camera onzichtbaar en de televisie kan weinig beginnen met functionarissen die op het ministerie van buitenlandse zaken de zojuist gearriveerde telegrammen lezen. Veel beter geschikt zijn de grootscheepse hulpacties die Frankrijk sinds vier jaar organiseert. Onder leiding van de mediagenieke minister van Humanitaire Acties, Bernard Kouchner, werden rampgebieden in alle continenten bezocht. Voor het oog van de camera werden voedsel en medicijnen uitgedeeld, soms betrad de minister zelf met een zak rijst op de schouder het oorlogsterrein. Kouchner werd een van de meest geliefde Fransen. Was de buitenlandse politiek altijd kil en berekenend geweest, met deze minister leek de gerechtigheid eindelijk in de Derde wereld gearriveerd. Oorlog = honger = Kouchner = rijst = vrede: dat was de boodschap en de klassieke diplomatie, die altijd uit was geweest op 's lands eigenbelang, kwam in een kwade reuk te staan.

Het televisiebeeld wint het altijd van de analyse, klaagt Debray. De kijker is verzot op emoties, daar kan geen beschouwing over achtergrond en oorzaak van de hongersnood tegenop. Bij al die gefilmde ellende wordt bovendien niets aan het toeval overgelaten. De journaalbeelden met Bernard Kouchner in actie zijn in scène gezet als bij een speelfilm. De handeling, het kaki-uniform, het decor - alles is bedacht en daarna nauwkeurig geregistreerd. Het ministerie van Humanitaire Acties - tot maart was Kouchner er minister - telde nog geen dertig man personeel. Was op een normaal ministerie het werk van duizenden mensen goeddeels onzichtbaar, hier gebeurde alles in het openbaar. De minister was nooit actief geweest in een politieke partij, hij was nooit met pamfletten langs de deuren gegaan. Hij had een belangrijker troef in handen: Bernard Kouchner was de beste vriend van de televisiecamera's. De televisie kent haar eigen wetten, zij maakt de dienst uit. Debray's weinig bevlogen conclusie is dat iedere politicus zich maar het beste aan het medium kan aanpassen.