Stevige zandbodem werd een slappe modderbodem

UTRECHT, 9 OKT. De natuur in de Oosterschelde is op sommige fronten hard achteruitgegaan sinds deze zeearm in 1986 werd afgesloten met een stormvloedkering in de vorm van een doorlaatbare pijlerdam. Voordien waren de dijken langs de Oosterschelde onder de waterspiegel rijk "begroeid' met zeeanemonen, sponzen, zakpijpen en brokkelsterren, maar die dierlijke organismen zijn nu grotendeels verdwenen, zeker in het oostelijke deel van het 350 vierkante kilometer grote getijdebekken. Oorzaak van de ecologische verarming is een massale aanvoer van slib, dat zich over de dijkglooiingen verspreidt en de onderwaterfauna onvoldoende houvast biedt.

Het proces dat tot de veranderingen heeft geleid, staat beschreven in een proefschrift waarop drs. W.B.M. ten Brinke (29) maandag hoopt te promoveren aan de universiteit van Utrecht. Als fysisch geograaf deed hij jarenlang onderzoek in de Oosterschelde voor de dienst getijdewateren van Rijkswaterstaat. Daarbij kwam hij tot de ontdekking dat het in- en uitgaande Noordzeewater jaarlijks ongeveer anderhalf miljoen kubieke meter slib in de Oosterschelde achterlaat. Dit was volgens Ten Brinke destijds niet voorzien: “Men veronderstelde dat de Oosterschelde van een zandexporterend tot een zandimporterend bekken zou worden, maar er bleek vrijwel alleen maar slib naar binnen te komen.”

Onder slib verstaat men deeltjes sediment die kleiner zijn dan 50 micrometer of ééntwintigste millimeter; daarboven is sprake van zand. Vroeger, vóór 1986, hadden de geulen in de Oosterschelde een zandige bodem. Het toen nog voluit stromende water schuurde dat zand weg en transporteerde het naar de Noordzee. Slechts op enkele plaatsen in het bekken was de stroming klein genoeg om slib te laten bezinken.

Maar dat veranderde door de stormvloedkering, die werd aangelegd als politiek compromis tussen de eisen van veiligheid en natuurbehoud en die met bijkomende werken bijna acht miljard gulden heeft gekost. Als gevolg van die ingreep daalde de hoeveelheid water die de Oosterschelde in- en uitstroomt, van 1.280 tot 915 miljoen kubieke meter per tij. Dat betekent dat de stroomsnelheid met dertig procent is verminderd. Hierdoor konden, anders dan vroeger, overal in de geulen slibdeeltjes neerslaan, die samen per jaar een laag van vijf tot tien centimeter dikte vormen.

Dat er vanuit zee praktisch alleen maar slib en geen zand de Oosterschelde binnendringt, heeft volgens de promovendus te maken met ontwikkelingen in de zogenoemde voordelta: het zeegebied vlak voor de Zeeuwse kust, dus ook voor de pijlerdam. Ook daar zijn veranderingen in de stroomsnelheid opgetreden, waardoor het zand in die voordelta blijft liggen in plaats van de pijlers te passeren en meer landinwaarts te bezinken. “En dat alles”, zegt Ten Brinke, “zorgt ervoor dat grote delen van de Oosterscheldebodem niet langer een zandig, maar slibbig karakter hebben.” De stevige zandbodem werd een slappe modderbodem.

Duikers dalen regelmatig af om vast te stellen hoezeer die omslag het ecosysteem van de Oosterschelde heeft aangetast. Dijken langs Schouwen, Tholen, Noord- en Zuid-Beveland verloren hun bloeiende onderwater-"tapijt' van anemomen, sponzen en zakpijpen wegens gebrek aan houvast voor die beestjes. Hoe verder landinwaarts, hoe sterker dit nadelige effect optreedt doordat de stroomsnelheid naar het oosten toe afneemt. Het omgekeerde geldt natuurlijk ook. Dichterbij de stormvloedkering, waar de stroming sterker is, weten de organismen zich nog te handhaven en op de betonnen pijlers vinden ze juist een nieuw onderkomen.

Ook de mosselcultuur in de Oosterschelde wordt beïnvloed. Van nature liggen mossels op slibrijke plaatsen, sterker nog: ze bouwen mee aan dat sediment door water te filteren, daaruit voedsel op te nemen en de slibdeeltjes uit te spuwen. “Maar dat was vroeger geen probleem”, zegt Ten Brinke, “omdat de bodem voor circa de helft uit zand bestond en dus stevig genoeg was om erop te blijven liggen. Nu zijn er kweekplaatsen waar de bodem voor negentig procent uit slib bestaat met als gevolg dat de mosselen in de modder wegzakken en stikken door zuurstofgebrek.”

De sterfte openbaart zich vooral in de Noordgeul langs Schouwen-Duiveland, westelijk van Zierikzee. Daar staat tegenover dat andere locaties juist geschikt worden voor de mosselvangst door een lagere stroomsnelheid. Op die plaatsen, verspreid over het Oosterscheldebekken, stroomde het vroeger te hard, zodat de schelpdieren wegspoelden en niet meer te vangen waren. Nu blijven ze er rustig liggen. “De nadelen op de ene plek worden gecompenseerd door voordelen op een andere plek, dus zie je een verschuiving in de mosselcultuur”, aldus Ten Brinke.

Alle effecten bij elkaar genomen moet hij echter vaststellen dat de balans sterk naar het negatieve doorslaat. “Een beetje slib in een gebied als de Oosterschelde is onmisbaar. In dat slib zitten organismen of resten van organismen die als voedsel dienen voor mossels, oesters en vissen. Maar het wordt nu echt te veel.”

Een ommekeer zal zich volgens hem pas voordoen nadat er tussen de 400 en 600 miljoen kubieke meter sediment (slib en zand) in de Oosterschelde is afgezet. “Pas dan”, zegt hij, “is er een nieuw evenwicht bereikt en zal dit getijdebekken geleidelijk weer veranderen van uiterst slibrijk naar zandrijk. Maar dat zullen wij helaas niet meer meemaken, want het is een kwestie van eeuwen.”

    • F.G. de Ruiter