Oorlog drijft hulporganisaties naar elkaar

Humanitaire hulp krijgt steeds meer een politieke lading. Welke houding nemen organisaties als het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen hierbij aan?

ROTTERDAM, 9 OKT. De toename van diffuse, gefragmenteerde conflicten leidt ertoe dat de bestaande particuliere hulpverleningsorganisaties steeds meer in elkaars armen worden gedreven. Aldus J. de Milliano, directeur van Artsen zonder Grenzen (AzG) Nederland. Dat komt niet alleen door de “nieuwe eisen” waarmee het opereren tijdens bloedige burgeroorlogen gepaard gaat, maar ook omdat AzG en het Rode Kruis “elkaars kwaliteiten” hebben leren waarderen, zegt De Milliano.

Al jaren staat het Rode Kruis onbedreigd bovenaan op de "chari-barometer', waarmee het bureau Mediad uit Rotterdam de bekendheid en de waardering voor liefdadigheidsorganisaties aangeeft. Het Wereldnatuurfonds, de Nederlandse Hartstichting en - grote stijger - UNICEF delen de tweede plaats, gevolgd door de Nederlandse Kankerbestrijding en Artsen zonder Grenzen. De enorme naamsbekendheid van het Rode Kruis steekt een beetje mager af bij het totaal aan particuliere donaties - exclusief gezamenlijke acties en overige giften - die de organisatie voor hulpacties ontvangt: 29 miljoen gulden in 1992. Zo kreeg Artsen zonder Grenzen - vijf plaatsen lager op de chari-barometer - in 1992 28,2 miljoen gulden (exclusief gezamenlijke acties), een stijging van ruim 34 procent vergeleken met het jaar ervoor.

Volgens J. Lasker van bureau Mediad heeft het relatief gering aantal donaties te maken met “de veelkoppigheid” van het Rode Kruis. “De mensen weten niet waar hun geld blijft. Kopen ze er pleisters van voor de deelnemers aan de Avondvierdaagse, breinaalden voor de gehandicapten die aan een boottochtje deelnemen of gaat het geld naar een arme Bosniër met een geamputeerd been?”

J.H. van Ham, adjunct-directeur activiteiten van het Nederlandse Rode Kruis, geeft toe dat het Rode Kruis moeite heeft zich naar buiten toe te profileren. “Het is niet makkelijk je te onderscheiden, temidden van de 132 Nederlandse organisaties die op de chari-markt actief zijn”, zegt hij. “Neem Bosnië-Herzegovina. De spectaculaire acties krijgen de aandacht. Niemand die weet dat het Rode Kruis daar zes à zeven miljoen gulden per maand besteedt en we met honderden mensen tegelijk aan het werk zijn, op dertig, veertig verschillende locaties.”

Het Rode Kruis opereert vaak in stilte. “Wij kondigen veelal niet aan dat we onmiddellijk vertrekken naar een gebied waar zich een ramp voltrekt. Nee, wij ztten daar al lang, via Rode Kruis-medewerkers ter plaatse. Die melden wat er nodig is en wij sturen dat. Op die manier kan de hulpverlening heel snel en efficiënt plaatsvinden. Maar voor het grote publiek is het absoluut oninteressant te weten dat het Nederlandse Rode Kruis een paar miljoen overmaakt naar een zusterorganisatie elders”, aldus Van Ham.

De spreekwoordelijke neutraliteit van het Rode Kruis leidt er soms toe dat de organisatie ook om andere redenen publiciteit mijdt. J. Timmer, hoofd Internationale Zaken van het Nederlandse Rode Kruis, verwijst in dat verband naar het "bakkerij-project' in Sarajevo. “Op het moment dat we dit soort hulpacties aan het publiek bekend maken, eisen de Serviërs de helft op van alle materialen die we daar aanvoeren. Of ze beschouwen ons vanaf dat moment als een potentieel militair doelwit.”

Voor het publiek mag er dan nog een groot verschil zijn tussen Artsen zonder Grenzen - snel ter plaatse, niet bang om wantoestanden aan de kaak te stellen en het Rode Kruis - veelzijdiger, per definitie neutraal, soms wat trager - maar in de praktijk valt het onderscheid steeds verder weg. In rampgebieden hebben Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen doorgaans “een uitstekende verstandhouding”, stelt AzG directeur J. de Milliano. De twee organisaties wisselen informatie uit en verrichten wederzijdse logistieke hand- en spandiensten. Maar ook op ideologisch vlak dienen de particuliere hulpverleningsorganisaties de handen volgens De Milliano ineen te slaan, om zich te onderscheiden van de Verenigde Naties die zich steeds nadrukkelijker profileert op het gebied van de internationale hulpverlening.

De VN heeft afgelopen drie jaar ongeveer tien keer zo veel resoluties op het humanitaire vlak aangenomen als in de veertig jaar daarvoor. “Humanitaire hulp krijgt dus steeds meer een politieke lading”, aldus De Milliano. “De VN heeft als primaire doelstelling het bewaren of tot stand brengen van vrede en veiligheid. Daartoe heeft ze een aantal instrumenten, waaronder het geven van hulp. De VN zal dus altijd een afweging van belangen moeten maken, terwijl particuliere organisaties als Artsen zonder Grenzen en het Rode Kruis niet gestuurd worden door andere dan humanitaire belangen.”

Afgezien van de aard van de organisaties - het Rode Kruis is veel groter dan Artsen zonder Grenzen en hun activiteiten raken elkaar alleen bij de hulpverlening in crisisgebieden - ligt er volgens De Milliano nog altijd een belangrijk verschil in de mate waarin de twee organisaties wandaden aan de kaak stellen. “Wij veroordelen steevast systematische schendingen van de mensenrechten, terwijl het Rode Kruis daar gezien haar neutraliteit voorzichtiger in moet zijn.”

Het Rode Kruis vindt niet zoals Artsen zonder Grenzen dat humanitaire hulp desnoods moet worden afgedwongen, maar de beide organisaties willen wel zo mogelijk buiten politiek vaarwater blijven. “Hulp dient zo neutraal mogelijk te zijn”, stelt T. Pfanner, hoofd Juridische Zaken van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) in Genève. “Het afdwingen van hulp is onhaalbaar. In Somalië gaat het er nog om plunderingen van konvooien tegen te gaan maar in Bosnië is de hele hulpverlening tot een politiek steekspelletje verworden.” Pfanner toont zich ongelukkig met de nieuwe taken die de VN zicht heeft toegeëigend op het gebied van de humanitaire hulpverlening. “We moeten de macht van de VN niet overschatten, het is ondenkbaar dat de VN in alle dertig conflicthaarden tegelijkertijd kan interveniëren.”

Minister Kooijmans van buitenlandse zaken toont zich niet onder de indruk van Pfanners stelling. “Het Rode Kruis zal moeten wennen aan de de nieuwe rol van de VN”, zegt hij desgevraagd. “Tot duverre had het ICRC een geprivilegieerde positie. Het is logisch dat de VN en het Rode Kruis elkaar in peace building of peace keeping operaties voor de voeten lopen. Maar het is nu eenmaal niet anders. In het geval van een imploderende staat kom je met de traditionele vormen van humanitaire hulpverlening niet meer uit de voeten. Dan is een VN-rol onvermijdelijk en wordt zo'n hulpverleningsoperatie vanzelf politiek.”

Of de VN nu wel of niet tussenbeide komt, één ding staat vast: het gevaar neemt dramatisch toe. In de laatste paar jaar kwamen meer dan honderd plaatselijke of internationale medewerkers van het Rode Kruis om het leven, van wie alleen al zeventien in de eerste helft van dit jaar. De slachtoffers vielen onder meer in Somalië, Afghanistan en Bosnië-Herzegovina. Een van hen was de hoofdgedelegeerde van het ICRC in ex-Joegoslavië - eindverantwoordelijk voor de gehele hulpverlening in dat gebied - die bij een raketbeschieting om het leven kwam. “Vroeger was het Rode Kruis-symbool voldoende om respect af te dwingen bij de strijdende partijen”, aldus J. Timmer van het Nederlandse Rode Kruis. “Tegenwoordig zijn we soms gewoon een doelwit. Zo rijden we in Sarajevo rond in gepantserde auto's en dragen we kogelvrije vesten. Dat is een geheel nieuwe ontwikkeling, want tot voor kort kon een Rode Kruis-voertuig ongehinderd door de linies rijden.”

Ook Artsen zonder Grenzen ervaart een verschuiving in de houding van strijdende partijen ten opzichte van hulpverleners. In Somalië werden AzG-medewerkers door hun eigen lijfwachten gegijzeld, nadat eerder al Somalische bendeleden een aantal voor AzG werkende plaatselijke verpleegkundigen hadden doodgeschoten. Soms is Artsen zonder Grenzen gedwongen een gewapende escorte in te huren om hulp ter plaatse te krijgen. “Zelfbescherming is in principe acceptabel”, stelt De Milliano. “maar als je daartoe genoodzaakt wordt, betekent dat in feite dat we niet meer in staat zijn op grond van onze neutraliteit hulp af te dwingen. Dat geeft te denken.”

    • Alfred van Cleef