ONUR

Iedere vrijdag, als hij na het moskeebezoek met Onur naar de speeltuin achter het bejaardentehuis ging, ontmoette hij ""de mevrouw uit Bussum'', zoals hij haar noemde. In het begin wisselden ze alleen glimlachjes uit, omdat Onur nog geholpen moest worden op de schommel en de glijbaan. Later leerde Onur zelf spelen en kon hij naast haar op de bank zitten om het gesprek te vervolgen. Zij kwam haar zus opzoeken in het bejaardentehuis, en voor ze weer naar Bussum vertrok kwam ze hier ""om een luchtje te scheppen''. Zijn Nederlands was goed, maar dit vond hij een rare uitdrukking. Ze had vertederd gelachen toen hij het zei, en met steeds meer plezier kwam ze naar de speeltuin om met hem Nederland en de wereld door te nemen. Het laatste jaar zat ze zelfs langer op het bankje bij hem dan bij haar zus in het tehuis.

Hij vond haar een prachtige vrouw. Ze was de enige blanke die hij zo goed kende en die hij zo aardig vond. Eigenlijk was hij zelfs een beetje verliefd op haar, al was ze zestig, en hij pas tweeenvijftig. Ze had zijn hart gestolen met die eerste opmerking, drie jaar geleden, dat vader en zoon zo mooi gekleed waren. Lange hemden met glinsterende knopen en sierlijke borduursels van gouddraad. Hij vertelde haar maar niet dat ze zich alleen zo kleedden als ze naar de moskee gingen.

Hij hield van haar gebaren, van haar oogopslag, van haar nette manieren, van haar stem en van wat ze zei. Ze had een adoptiekind van Terre des Hommes, maar daar sprak ze weinig over, terwijl hij haar alles vertelde over zijn vijf dochters, en natuurlijk over Onur, op wie hij zo trots was. Zijn enige zoon. Nee, hij had haar verzekerd dat hij hem niet voortrok, en ja, de meisjes gingen allemaal naar school, hij wilde dat ze goede papieren haalden. Maar Onur, het nakomertje, was toch speciaal. Vond zij ook, en ze nam iedere vrijdag een appel voor hem mee.

De mevrouw uit Bussum zette zich erg in voor arme mensen in verre landen. Amnesty International, Memisa, Novib, Mensen in Nood, Stichting Inheemse Volkeren, Medisch Comité Vietnam en Angola - uitgebreid legde ze uit hoe al die organisaties werkten en wat ze nastreefden. Een wijze dame met een groot hart.

Het langste gesprek, gespreid over wel vier vrijdagen, ging over de reden van zijn komst naar Nederland. In eigen land was hij onderwijzer geweest, een man van aanzien. Hier werd hij fabrieksarbeider en op zijn negenenveertigste werkloos.

Het was moeilijk uit te leggen. Het kwam door zijn broer, die ook Onur heette. Onur was lang geleden uit Turkije vertrokken. Hij stuurde foto's van zijn nieuwe Opel. Van zijn vrouw naast de ijskast met twee deuren. Van zijn kinderen voor het grote televisietoestel. Als Onur met vakantie kwam bracht hij dure geschenken mee, keukenapparaten voor zijn zusters, horloges. Maar Onur was ongeschoold en hj was onderwijzer, er was dus geen reden voor jaloezie. Toch irriteerde het hem dat zijn kinderen alleen over oom Onur spraken, en dat zelfs zijn vrouw bewonderend naar Onur keek als hij in zijn dure pak verscheen.

Toen ze een keer op vakantie in Holland waren, deelde hij plechtig mee dat ze zouden blijven. Hij had misschien iets te veel gedronken, maar alles leek zo makkelijk. En hij was een held, voor die avond. Zijn dochters vlogen hem om de hals en in de keuken kneep zijn vrouw in zijn wang, wat ze daarvoor, maar ook daarna niet meer had gedaan.

De mevrouw uit Bussum troostte hem, ze legde een hand op zijn schouder en heette hem op die manier alsnog welkom in een land waarin hij naar zijn gevoel was mislukt.

Ze waren het niet altijd eens, maar meestal gaf hij haar gelijk, omdat het beleefd was en omdat ze redelijk klonk. Asielzoekers bijvoorbeeld, hij vond Nederland onnodig streng, omdat hij had gezien hoe in Turkije een neef van hem vervolgd werd vanwege zijn bemoeienis met een verboden vakbond: ze hadden op een nacht zijn vrouw voor de deur vastgebonden en geroepen dat ze haar zouden doodschieten als hij zich niet aanmeldde. Maar toen hij hier asiel vroeg zeiden ze dat het niet ernstig genoeg was. Dat was verschrikkelijk, zei de mevrouw uit Bussum, maar als Nederland alle asielzoekers zou toelaten en hen onderwijs, medische zorg en huisvesting geven, zou iedereen erop achteruit gaan.

Ja, zei hij, de mensen zijn egoïstisch.

Maar dat bedoelde ze niet. De burgers van dit land hadden hard gewerkt om al deze voorzieningen op te bouwen, voor zichzelf, als appeltje voor de dorst. En er waren al veel buitenlanders toegelaten, nu was een grens bereikt. Waar niets is, verliest de keizer zijn recht. Nadat ze de uitdrukkingen had uitgelegd gaf hij toe dat ze redelijk klonk.

De vrijdag daarop ging het gesprek verder: Nederland was na Bangladesh het dichtst bevolkte land ter wereld, vertelde ze. Vierhonderd en tweeënveertig inwoners per vierkante kilometer, zei ze langzaam, alsof het een magisch getal was. Maar hij zag hier geen mensen op straat slapen, ze woonden in grote, warme huizen, en in trams en treinen vond iedereen meestal een plaatsje. Als je naar beelden keek van steden in Azië en Afrika, waar ze aan het dak van de bussen moesten hangen om mee te gaan... Maar weer won de mevrouw uit Bussum de discussie: zou het die landen iets helpen als de Nederlanders ook aan het dak moesten hangen? Neen, dat was waar. Het was bovendien ook een milieukwestie. Ze sprak de woorden van een Nederlands dichter: ""En dan, wat is natuur nog in dit land, een stukje bos ter grootte van een krant.''

Hier hadden de mensen genoeg geld om met vakantie te gaan naar landen waar er wel veel bos was, antwoordde hij. Zijn Hollandse buurman was dit jaar zelfs naar Indonesië gegaan. Maar het Hollandse volk had recht op een Hollands bos, zei ze. Zo gingen de gesprekken altijd. Hij sprak over dingen die hij zelf zag, zij antwoordde in algemene waarheden.

Over criminaliteit bijvoorbeeld. Ze zei dat die erg was toegenomen, sinds de buitenlanders hier waren gekomen. Twintig jaar geleden had Nederland samen met de Scandinavische landen het laagste misdaadcijfer van de wereld. Hij wist niets van cijfers, maar hij kende veel mensen. Elke vrijdag ontmoette hij wel honderd Turkse mannen in de moskee, en geen van hen was ooit met de politie in aanraking geweest. Het waren harde werkers die hun kinderen naar school stuurden. Maar allochtonen, wist ze, breken relatief vaker hun opleiding af. De cijfers waren altijd aan haar kant.

De volgende vrijdag wilde hij over iets anders beginnen, omdat dit onderwerp te grimmig werd, te pijnlijk. Alsof ze hem iets verweet. Vooral toen ze begon over kinderbijslag. Ze vertelde over een cabaretier Wim Kan die in de jaren vijftig een lied zong over de waanzin van kinderbijslag in een land dat overbevolkt dreigde te raken. Zelfs Joop den Uyl, haar favoriete politicus, had toegegeven dat zijn gezin met zes kinderen te groot was. Tegenwoordig waren het de buitenlanders die grote gezinnen hadden, waardoor ze wel erg veel kinderbijslag opsoupeerden. Als het Nederlanders waren geweest zou men hen asociaal hebben gevonden.

Hij voelde zich diep gekwetst. Wat zei ze nou, dat hij zijn kinderen had gekregen om de kinderbijslag? Onur, waar was Onur: hij riep de jongen naar zich toe, excuseerde zich en vertrok. Ze had zijn hart gebroken, en hij ging nooit meer naar dat bankje in de speeltuin achter het bejaardentehuis.

    • Anil Ramdas