Michiel Scholtes (39) zit sinds september 1987 ...

Michiel Scholtes (39) zit sinds september 1987 opgesloten in een "centre de détention' in noord-Frankrijk. Hij is door de Franse justitie tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens het vervoeren van soft-drugs over internationaal water naar Nederland. Zijn vrouw, familie en vrienden bezoeken hem heel vaak. Hij beschrijft een gemiddelde week.

Zaterdag

Ik kan niet meer uitslapen, zelfs niet met mijn jas voor het raam tegen het ochtendlicht. Ik ben veel te gespannen. Het verzet tegen de gevangenschap zit in mijn opgetrokken schouders. Als om 7 uur bij de ochtendtelling de deuren van het slot gaan heb ik al het brooddeeg gekneed dat straks in de gemeenschappelijke oven moet en schrijf ik aan een brief. Bewakers zijn er aan gewend mij zo aan te treffen. ""Bonjour professeur'', grapte er vanochtend een die graag met bijnamen strooit. Erg leuk, maar liever lag ik nog te dromen.

's Middags sta ik met 15 nerveuze gevangenen in een kale wachtcel, even voor bezoektijd. Er wordt op onderlippen gebeten en diep gezucht. Voor ijsberen is geen ruimte. Sommigen roken stiekem. Anderen schelden daar weer op. Een magere Belg met een lange nek orakelt over gratie van 9 maanden die in België al vergeven zou zijn en hier binnenkort ook af zal komen. Het is geen nieuw gerucht. Maar Jean, een vader van 2 kinderen, zo vlak voor het bezoek lichtgeraakt, kan het toch niet hebben: of die Waalse graat zijn stomme verzinsels voor zich wil houden; of hij er op uit is om iedereen vlak voor het bezoek nog even stapelgek te krijgen; dat het geen probleem is om die grote scheur zonodig dicht te timmeren. Anderen vallen hem bij en mompelen somber over de mond snoeren en praatjes afleren. Maar een koortsig kijkende Fransman geeft de Belg gelijk, zijn broer heeft het ook verteld, 9 maanden!

Dan komt er een cipier binnen. Onmiddellijk lijken de gemoederen bedaard, de strafcellen liggen immers om de hoek. Alleen wat rode en vertrokken koppen verraden de opwinding. ""Het was maar een grap. Nee, er was niets aan de hand.'' Namokkend verdwijnen de ruziemakers even later in hun broeierige bezoekhokjes.

Achter het scheidingsschot zit twee uur lang mijn zusje; ons gesprek is intens en ik geniet van de emotionele zekerheid meer dan een herinnering te zijn. Naast ons klinkt kabaal, een koter schopte de koffie van het schot en wordt gestraft.

Zondag

Met wat overdrijving kan de gevangenisbevolking in twee kampen opgesplitst worden: aan de ene kant de hunkeraars naar goed nieuws die alle geruchten over gratie geloven en honderdvoudig verspreiden tot de hele bajes in overspannen verwachting staat te zieden; aan de andere kant de sceptici die alleen maar dooie mussen zien en zich naar hun aard over zoveel goedgelovigheid vrolijk of kwaad maken. Ik zelf wapen me tegen teleurstellingen door altijd van het ergste uit te gaan. Mijn buurman Joop daarentegen vlucht van de ene illusie in de andere. Hij is als iemand die een rivier oversteekt, springend van steen tot steen. Zo snelt hij naar de overkant van zijn straf.

Om 7 uur 's ochtends, direct na de ontgrendeling van de deuren, drinken we samen koffie in de gemeenschappelijke ruimte die we hier ironisch "Coffeeshop' noemen.

""Waarom ben je al zo vroeg op, Joop?'', vraag ik hem.

""Vanwege de berichten over gratie en uitwijzing, Chiel, die houden me klaarwakker. Deze keer moet er toch wat van waar zijn?''

Hij kijkt me verwachtingsvol aan, maar wanneer ik spottend grijns schudt hij afkeurend het hoofd. Ik ben er typisch zo een die nooit wat aanneemt, een pessimist, een agnost, een ketter. Heb ik het soms aan mijn lever? De bajeskolder in mijn kop? Wil ik soms niet naar huis?

's Middags bezoek van Catherine, strijdbaar maar moe. Omwille van haar wil ik ineens wel illusies koesteren, wel geloof hechten aan wonderen, sprookjes vertellen om haar te zien lachen, om na twee te korte uren haar vertrek dragelijk te maken. Maar wat ik bedenk zou haar niet troosten. Ik rep tenslotte met geen woord over hoe snel de tijd vliegt, over gratie die nooit afkomt. Een geliefde die al zes jaar met mijn afwezigheid samenleeft, misleid je niet met vederlichte beloften.

Maandag

Vannacht hield het lawaai uit de strafcellen ons uit de slaap. Het strafblok zit doorgaans vol met opstandige gevangenen van het weerloze soort. Ze verkeren in een voortdurende staat van verontwaardiging en op voet van oorlog met het regime. Eenmaal geïsoleerd houdt ook dat type zich doorgaans wel rustig. Zo niet de huidige bewoners. Tot diep in de nacht hebben ze elkaar toegeroepen, hun uitdagingen de wereld ingeschreeuwd, uit woede en frustratie.

Op veel medegevoel van deze vleugel hoeven ze niet rekenen. Ik heb de werkers om 7.15 uur naar het naaiatelier zien gaan, somber en kwaad, met blauwe kringen onder hun ogen van de slaap. En evenmin van mijn landgenoten die nu met verkreukelde koppen en later dan gewoonlijk boven hun koffie wakker proberen te worden. Even voor 12 komen de werkers terug om te eten. Sommigen grijnzen wat ongemakkelijk door hun vermoeide trekken heen om iets wat ik niet meteen begrijp. Wat er aan de hand is? Niets bijzonders, maar die schreeuwbekken van vannacht zijn op transport gesteld. ""Oh ja? Waar naartoe?'' ""Naar Fresnes?!'' Dan valt er eigenlijk niets meer te lachen. Fresnes is de hardste, smerigste, meest overbevolkte gevangenis van Frankrijk. Ik ben er helemaal niet zeker van dat onze nachtrust dit waard is.

Dinsdag

Ik slaap veel te kort. Vanaf 5 uur wanneer het daglicht de cel binnendringt lig ik alleen nog maar te woelen. Mijn ruggegraat voelt als een gekneusde bamboetak. Mijn nek doet zo'n pijn dat ik bij het omdraaien mijn hoofd ondersteunen moet. Wervelrot! En zo jong nog. Dan er maar uit.

Met mijn gezicht tegen de tralies volg ik het drama dat gisterenavond begon. Onder het celraam maakt een jonge leeuwerik lawaai als een oordeel. Hij moet daar weg. De oude vogel deed honderd keer voor hoe het moest, van de grond naar de dakrand en terug. Maar de kleine is nog te zwak, klapt stom met zijn onvolgroeide vlerkjes. Hij is maar een paar uurtjes stil geweest. Nu piept hij weer zijn nood, monotoon, klagelijk. De oude vliegt af en aan met hapjes. Nog een wonder dat vannacht de uilen niet hebben toegeslagen. Na een kwartier staan de tralies in mijn wangen.

Officieel mag een gevangene maandelijks een keer naar huis bellen. Maar mijn collect-call van vanmiddag is geen succes. De telefonist krijgt het antwoordapparaat en verbindt niet door. Vervolgens wil de verantwoordelijke censor, een maaglijder, niet geloven dat ik geen gesprek heb gevoerd. Hij had meegeluisterd, er was duidelijk in het Nederlands heen en weer gepraat. Dus was mijn permissie om te bellen verbruikt. ""Kijk dan op het formulier'', zo protesteer ik fel, ""daar staat toch dat ik met mijn vrouw zou spreken, niet met een telefonist.'' Het mag niet baten, bellen is bellen zegt het reglement. Ik dreig de man beleefd met de hele gevangenishiërarchie. Hij zwicht uit gemakzucht. Mijn permissie gaat weer terug in de map. Maar wat een ergernis! Waarom treft mij dit? Het moet ook aan mij liggen. Ik ben te formeel. Mijn omgang met de bewakers is te stijf. Anderen lopen met hele pakken bel-permissies op zak en bellen stad en land af.

Als de bewakers mij om half acht insluiten, onweert het hevig. Achter de muren slaat het nog groene koren plat tegen de grond. Goed zo! Gesel dit absurde land! Ik laat de natte wind tussen de tralies door naar binnen bulken en probeer de afgesloten deur te vergeten.

Woensdag

Voor zessen sta ik al bij het raam. De verregende mussen op de dakrand zwijgen. Als ze mij achter de tralies zien bewegen, vliegen ze weg over het ondergelopen atelierdak, voorbij de zuidelijke wachttoren. Verderop trekken donkergrijze regensluiers over het soppende land. Beneden klopt iemand op de celmuur. Al maanden wekt hij zo zijn werkmaat die zich niet verslapen mag. Mijn maag draait zich om. Dit uitzicht, deze cel, het geluid van lopende kranen en WC's die doorgetrokken worden: het vervult me met afkeer. Wat is dit voor een dag waar al de klad in zit voor dat de deuren van het slot zijn? De kleren die ik aantrek zijn klam. De boeken op de plank ruiken naar schimmel.

De halve ochtend in de coffeeshop verlummeld. Nog geen gedachte afgemaakt, behalve een, ""Ik wil naar huis!'' Ik was te nerveus en lusteloos om uit eigen beweging aan de slag te gaan, terwijl mijn cel vol ligt met interessant lees- en schrijfwerk, met Spaans en Database. Hoe zet ik mijn gedachtenmolen stil? Moet ik dan werk vragen in de flessenvullerij of in de autohoezen? Nee, probeer de rest van de ochtend kalmer te worden, rustig te wachten en anders niet. Dit is al beter... Haal rustig adem. Houd je hand in de stromende tijd en voel hoe elke seconde de bevrijding dichterbij brengt. Voor Verdi's Traviata leen ik een tv. De uitvoering blijkt boven verwachting en tot diep in de nacht weet ik niet of ik mijn neus op het scherm dan wel mijn oor tegen de luidspreker moet leggen. Vooral Violetta is buitengewoon gezongen, tragisch en prachtig.

Donderdag

Pas over achten wakker! Dwars door de ontgrendeling heen geslapen. Violetta moet me hebben uitgeput. In de coffeeshop zitten mijn lotgenoten quasi verwijtend aan vieze tafels achter de koffie en grappen dat er voortaan geen tv's meer worden uitgeleend.

Even over negen naar het schoolblok waar mijn eerste en vooralsnog enige vakantieleerling op me wacht. De gevangenisschool is 's zomers dicht en ik geef dan Engels aan wie daar belang in stelt. Het is dit keer een jonge, driftige Turk die een jaartje extra doet wegens voortzetting van zijn illegale negotie binnen de gevangenismuren. Deze regering zal hem vrijwel zeker uitwijzen en met wat kennis van het Engels heeft hij in Turkije meer kansen, al of niet in de misdaad. Zou ik zijn leergierigheid danken aan de gehate en gevreesde minister van binnenlandse zaken, Pasqua? Een ontnuchterende gedachte.

Vrijdag

7 uur. Snel naar de coffeeshop. Het verlaten lokaaltje is nog moddervet van het patatbakken van gisteren. Een glijbaan. Een zwijnestal! Af en toe drinkend van verse koffie dweil ik de vloer, met veel water en bevrijdend gespetter. Daarna gewoontegetrouw de deuren van de slapers langs om voor de facteur die zo komt de uitgaande post te verzamelen. Iedereen nog te bed. Magere oogst, de meeste postbakjes blijken leeg. Een paar brieven, een kaartje. Mijn lotgenoten schrijven steeds minder. Vriendschappen die niet meer vernieuwd worden vervagen en verstillen, en aan herinneringen schrijf je niet, die haal je op, daar mijmer je over met meer of minder pijn.

Vanmiddag naar de bibliotheek. Het hangt er op het ogenblik vol met manshoge plakkaten tegen alcoholmisbruik. ""L'alcool est une drogue en vente libre!'', staat er op. En ""Par an 100.000 morts à cause de l'alcool!'' Ik weet niet wat ik er van denken moet. De actie lijkt absurd. Er is hier geen druppel drank te krijgen. Alleen sommige bewakers stinken naar drank, maar die komen nooit in de bibliotheek.

Tussen de aansporingen tot soberheid maak ik kennis met een goedlachse Duitse zeiler van middelbare leeftijd, na vijf jaar voorarrest eindelijk veroordeeld tot vijftien jaar cel, voor een soft-drugszaak. Zijn goede humeur verbaast me. Maar na wat heen en weer gepraat bespeur ik toch een ondertoon van haat. Ik geneer me een beetje, alsof ik met mijn tien jaar voor een zelfde vergrijp ben gespaard. Of ik hem Engels wil leren want hij heeft een opgroeiend dochtertje in Engeland dat nu met zijn kinder-Engels geen genoegen meer neemt. Natuurlijk wil ik dat, al wordt het wel improviseren met mijn Turkse leerling.

's Avonds buig ik me omwille van een onbekend meisje in Engeland over de Duitse grammatica.

Zaterdag

's Ochtends bij winderig weer zit ik aan de rand van het hoogommuurde sportveld. De schijnwerper op de wachttoren schudt op de wind. In de verte nadert Joop met wapperende haren tussen twee gebarende Afrikanen. Net een spaniël tussen twee rijzige hazewinden. Als ze voorbij lopen kijkt Joop me grijnzend aan. ""Ik ben even op reis'', riept hij vrolijk. Weer eten we 's middags kip. Ik denk dat ze van de kippenslachterij komen die ik vanuit mijn raam kan zien liggen en waarvan je op warme zomerdagen bij zuidenwind de weeë lucht kan ruiken. Ze moeten er vreselijke dingen doen met die beesten. Zo'n gebakken poot heeft bij mij nog het voordeel van de twijfel, maar deze keer blijkt het witvlees van geronnen bloed doortrokken en het weinige kraakbeen ligt in slijmerige brokjes rond het zieke gewricht. Het stinkt. Na sectie gaat het slachtoffer bij wijze van laatste eer in de vuilnisbak.

Zondag

Vanachter de ochtendkoffie zie je ze gaan, de kerkgangers, in hun beste trainingspak, het haar nog nat en platgekamd. In de sportzaal komen ze samen en zingen er met uithalen Gods lof. Of ze daarmee vergeving verwerven weet ik niet.

In de wachtcel zie ik er een paar terug. Ze hebben bloemen in hun hand voor hun bezoek, nog van de ochtenddienst, en zijn nu uit op profane absolutie.

Even later deel ik met Catherine weer het ingevreten verlangen waarvoor bloemen geen toepasselijke metafoor meer bieden. Als ze na 2 uur weggaat kijken we elkaar niet aan, alleen onze vingers glijden even langs elkaar en trekken dan onzichtbare draden, 350 km lang.

    • Michiel Scholtes