HET EINDE VAN DE CHRISTELIJKE ZENUWLIJDER

Heer en heelmeesters. Negentig jaar zorg voor zenuwlijders in het Christelijk Sanatorium te Zeist door Giel Hutschemaekers en Christoph Hrachovec, redactie 272 blz., geïll., SUN 1993, f 59,50 ISBN 90 6168 404 8

"Als ik op den drempel van een krankzinnigengesticht, alvorens het te mogen binnengaan, moest kiezen tusschen een medicijnkist en een instrumentenkast en Gods woord en gebed, dan wierp ik de twee eerste op straat!' Deze ferme taal kon tegen het einde van de vorige eeuw worden gehoord uit de mond van een vooraanstaand "christen-arts'. Geen dokter die het hem nog nazegt.

De vraag of er behoefte is aan een gereformeerde psychiatrie wordt tegenwoordig nog nauwelijks gesteld, maar meer dan een eeuw geleden was het antwoord van de dominees en mannenbroeders der "kleine luyden' op deze vraag nog ondubbelzinnig ja. Deze behoefte voerde op instigatie van de gereformeerde dominee Lucas Lindeboom in 1884 tot de oprichting van de "Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders', die later als de Grote Vereniging bekend zou worden. In rap tempo ontstond nu het ene na het andere gesticht: Veldwijk (1886), Bloemendaal (1892), Dennenoord (1895), Wolfheze (1907) en Vogelenzang (1928), dat zeer onlangs nog zijn vijfenzestigste verjaardag vierde.

Er bleef rond de eeuwwisseling evenwel behoefte bestaan aan instellingen voor mensen met lichtere psychiatrische stoornissen. Volgens de latere hoogleraar psychiatrie te Leiden Gerbrand Jelgersma namen nerveuze aandoeningen zoals neurasthenie onder invloed van de veranderende samenleving sterk toe: ""Hoe moderner een samenleving, hoe groter ook het aantal zenuwlijders', schreef hij in 1898. Niet lang daarna werd de "Vereeniging tot Christelijke Verzorging van Zenuwlijders in Nederland' opgericht, kortweg de Kleine Vereniging genoemd, en in 1903 was het Christelijk Sanatorium te Zeist een feit. Er ontstonden in die tijd wel meer neurosenklinieken, maar het Sanatorium trotseerde als een baken van rust temidden van het onstuimigste water de woelingen des tijds. Van rebellie zoals elders voorkwam in de dagen van de anti-psychiatrie heeft men in Zeist nauwelijks iets gemerkt. Helaas is het Sanatorium met zijn supra-regionale functie en zijn specifieke doelgroep sinds kort verleden tijd. Door fusie vorig jaar met de Willem Arntsz Hoeve en het Willem Arntsz-huis ging het op in de H.C. Rümke Groep.

WETENSCHAPPELIJKE BASIS

Gelukkig is de opmerkelijk rustige geschiedenis, zij het zonder de pretentie van volledigheid, onlangs geboekstaafd in de bundel Heer en heelmeesters. Negentig jaar zorg voor zenuwlijders in het Christelijk Sanatorium te Zeist. De lezer krijgt een aardig beeld van de lotgevallen van dit huis, waarin aanvankelijk neurasthene mannen uit de gegoede burgerij en later depressieve vrouwen de overhand hadden.

De verschillende auteurs blijken het lang niet altijd eens te zijn en het is leuk om hen met elkaar te zien discussiëren over bijvoorbeeld de vraag of het Sanatorium slechts de ontwikkeling van de tijd volgde of dat de opvatting van de geneesheer-directeur bepaalde welke kant het op ging met het huis. Uit de stukken blijkt dat laatstgenoemde de belangrijkste factor moet zijn geweest.

Het best laat zich dat illustreren in de persoon van A. Hutter (1936-1962), de vierde geneesheer-directeur, die landelijk bekend was in de vakpers en het Sanatorium van een wetenschappelijke basis voorzag. Als niet-hoogleraar kreeg hij de bevoegdheid zenuwartsen voor het vak psychiatrie op te leiden en als één der eersten in Nederland introduceerde hij in 1940 de elektroshock-behandeling: nog tot 1978 werd deze therapie in Zeist, zij het op iets minder grote schaal dan de veertig procent uit de gloriedagen, met enthousiasme en vaak goed resultaat toegepast.

Bovendien probeerde Hutter een verbinding tot stand te brengen tussen religie en psychopathologie. Hij zag het "Weltuntergangserleben' bij patiënten als een bewijs voor de diagnose schizofrenie en beklemtoonde in tegenstelling tot zijn voorgangers het schuldgevoel bij de depressieve patiënt. Maar anders dan bij de ferme christen-arts uit de vorige eeuw stond het Woord Gods in Hutters praktijkvoering beslist niet op de eerste plaats. Niet minder groot was de invloed van zijn opvolger A.C. Lit (1962-1984) die bij zijn aantreden het gebruik van koelkasten (!) en later slaapdeprivatie bij de behandeling van depressieve patiënten invoerde.

De mooiste bijdrage in dit boek is "Betrekkelijk rekkelijk' van de godsdienstpsycholoog Sytze Ypma. Daarin staat dat het van een streng-gereformeerde identiteit nooit echt gekomen is. Hadden de "preciezen' zich vooral verschanst binnen de Grote Vereniging, het Sanatorium was besprenkeld met een "rekkelijk' soort dressing en van de identiteit bleef reeds spoedig niet veel meer dan een gemengd-christelijke nestgeur over.

Geheel verschillend van de gestichten van de Grote Vereniging die een vaste predikant hadden, die soms dienst deed als een soort partij-ideoloog, bleven de dominees in het Sanatorium vijfenzestig jaar lang op veilige afstand. Dit kwam doordat het voornamelijk uit dominees bestaande bestuur zich kapot geschrokken was van het onoirbare gedrag van de eerste huispredikant. Dominee Feringa werd in januari 1905 nog wel zo feestelijk binnengehaald. ""Komt tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven,' zo luidde de tekst. Nog geen jaar later stond deze "Bode des Heeren' op straat, toen aan het licht kwam dat hij er een buitenechtelijke relatie met een aspirant-verpleegster op na hield. Vanaf die tijd verschaften de dominees uit Zeist de zielzorg aan de patiënten van het instituut. Pas in 1970 werd opnieuw een vaste geestelijke verzorger aangesteld.

ZWAARMOEDIGE DOMINEES

De redactie van Heer en heelmeesters heeft voor deze onberispelijke uitgave beslist een dikke pluim verdiend, alleen had de psychiatrische inbreng (slechts één van de dertien auteurs is psychiater) van mij wel iets steviger mogen zijn. Dit wreekt zich vooral wanneer het gaat om de beschrijving en beoordeling van de klinische beelden, zoals in de bijdragen van Giel Hutschemaekers en Patrick Vandermeersch. Laatstgenoemde, die hoogleraar godsdienstpsychologie te Groningen is, laakt in zijn prikkelende relaas over zwaarmoedige dominees bijvoorbeeld de therapeutische handelwijze van Hutter, omdat deze niet voldoende inging op de seksualiteit van een in 1937 opgenomen dominee, die na het overlijden van diens moeder frequent prostituées bezocht.

Vandermeersch beoordeelt deze casus met een in psychoanalytische inkt gedrenkt pennetje uit 1993 en Hutter krijgt van hem een dikke onvoldoende. Hutter noteerde in de status: ""Was zeer aan zijn moeder gehecht en zocht dit moederbeeld in deze vrouwen,' maar liet de zaak verder onbesproken. Terecht zou ik zeggen, want de predikant was bij diens huisarts bekend met een psychopathische aanleg en hij was reeds vóór zijn opname in Zeist in psycho-analytische behandeling geweest. De man twijfelde voortdurend aan zijn geloof en tobde over het feit dat hij met speculeren veel geld kwijt was geraakt. Uit de spaarzame gegevens die Vandermeersch over het ziektebeeld meldt, valt op te maken dat de dominee leed aan een depressie of een manisch-depressieve ziekte. De "toedekkende' therapie bleek overigens niet zonder succes, want de man knapte volledig op.

Het is Vandermeersch echter een gruwel dat psycho-analytische inzichten in de praktijk zo weinig worden toegepast. Hij kritiseert Hutter omdat deze zijn patiënt, die almaar piekert over geld, precies laat uitrekenen hoe het met diens vermogen is gesteld en niets zegt over diens seksuele problemen. Maar van een scherpe indicatie voor psycho-analytische behandeling heeft Vandermeersch blijkbaar nog nooit gehoord. Voor Hutter, die een uitstekend clinicus was, telde het resultaat waarschijnlijk meer dan het inzicht in de waarheid of het uitvoeren van een mooie therapie.

Ik heb Heer en heelmeesters grotendeels met plezier gelezen. Er staan een hoop geestige dingen in, die door de lezer ongemerkt vergeleken worden met de eigen tijd. Vroeger wist men nog dat zwijgen goud was. Maar vreemd in onze ogen zijn de bordjes die op een groot aantal plaatsen in het Sanatorium waren opgehangen met de volgende tekst: "De Geneesheer-Directeur verzoekt den patiënten dringend niet met elkander te spreken over de verschijnselen hunner ziekte'. Inmiddels is menig psychiatrisch instituut veranderd in een neuzelparadijs waarin je bijna elke zin schijnt te moeten aanvangen met: ""Ik heb zoiets van...' Nergens wordt zoveel gebabbeld als juist daar, zo lijkt het, en onderlinge gesprekken tussen patiënten, zogeheten groepsgesprekken, hebben er al jaren de status van een officieel parool.

BRANDNETEL

Interessant is de vraag of patiënten de elektroshock-behandeling nu als diabolisch of als een wondermiddel beleefden. ""Een shockkuur, dat is een soort wonder,' zegt een mevrouw met een serieus soort EO-blijmoedigheid, ""Jezus gaat dan even over je hoofd, via mensen, en dat je dan weer gezond mag zijn.'

Leuk voor Maarten 't Hart lijkt me de rake typering van het gereformeerde gedachtengoed door Sytze Ypma. Volgens de Heidelbergse Catechismus - met als drieluik ellende, verlossing en dankbaarheid - is de mens, zonder de wedergeboorte door de Geest Gods, van nature geheel en al onbekwaam tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad, maar ""de gelovige is als een brandnetel die hoopt dat God uit dit aardse onkruid toch een hemelse soep weet te trekken'.

Er is een boel veranderd in de psychiatrie. Intussen zijn de dossiers lijvige documenten geworden, zonder dat je de patiënt echt voor je ziet. Waar je niet zo lang geleden nog je geloof moest belijden, volgen nu de beleidsplannen elkaar in snel tempo op. Of dat zoveel béter is weet ik niet.

    • Hans van der Ploeg