Gebloemde bretels

Op het perron stonden twee mannen van een jaar of dertig die een niet-Nederlandse indruk maakten: een soort zwart in hun pak dat ik oud-Brits noem. Verder een wit overhemd, das en aktenkoffertje. Ze spraken zoals ze eruit zagen; met een licht Londens accent, snel, over de zaken die ze gingen doen. Een eerzuchtig soort kantoorbedienden, al een flink eind geklommen, met de ene voet op de volgende sport van de ladder, modern, en toch nog met de andere voet in een verhaal van Dickens.

In dit conservatisme hadden ze iets geruststellends. Links en rechts worden de wereldrijken bedreigd of zijn al opgeheven, de middenstand heeft zich erop voorbereid om bij je eerste verdachte blik met een half gelegaliseerde honkbalknuppel over de toonbank te springen, en als je vlug bent kun je je zakkenroller van de dag in je eigen zak een hand geven, maar aan deze Britse klerken is niets wezenlijks veranderd. Volgens E.A. Poe kon je ze herkennen aan hun rechteroor dat iets verder van hun hoofd stond dan het linker, want achter het rechter staken ze hun pen. Nu is het dit aktenkoffertje, geen "attaché-case', maar een functioneel ding van kunstleer, glanzend van slijtage, en het oud-Brits zwart van hun pakken.

Hebben we in ons land nog dergelijk betrouwbaar kantoorpersoneel dat zelfstandig naar het buitenland kan worden gestuurd? De trein reed van Schiphol naar Den Haag. Schuin achter me zaten twee landgenoten te praten. Aan de toon waarop was te horen dat ze geen zorgen hadden. De ene had de vorige avond de televisie van zijn buurvrouw bijgesteld zodat ze daarop RTL 5 kon ontvangen; de andere beklaagde zich erover dat zijn bankrekening zo vlug kromp terwijl hij toch telkens maar kleine beetjes opnam.

Zorgeloosheid staat de mensen toe luidruchtig van de hak op de tak te springen. Op geen enkel onderwerp hoeven ze zich te concentreren en het hindert niets als er iemand of desnoods de hele coupé meeluistert. Deze twee hiphopten door hun conversatie. Zouden het yuppies of yuppen zijn? Bestaan die nog? Dat vroeg ik me af.

Op kantoor stak ik hier en daar bij de jongere employés mijn licht op. Een paar waren zelf yup geweest, maar die hoedanigheid, zijnswijze, hoe noemen we dat, was afgestorven. Een van de ondervraagden wees over zijn schouder naar de muur. Daar stond een veiligheidskinderzitje dat aan een autobank kan worden gehaakt. Hij glimlachte: ""Mijn gekleurde bretels draag ik ook niet meer.''

Een andere ondervraagde veronderstelde dat de yup onverbrekelijk verbonden was met een afgesloten tijdvak: de laatste vijf jaar van de Koude Oorlog, toen de overwinning in zicht was, de conjunctuur op haar hoogst, de bomen in de hemel groeiden, niets op kon, enzovoorts. Iedere periode heeft een ideaal-abstractie, en van die mooie vijf jaren was dat de yup, die je dan weer in allerlei verschijningen had: de hard werkende, ter-goeder-trouw-zijnde, de luie met rijke ouders en de meedogenloos zakkenvullende handelaars in junk bonds, de Wall Street-baasjes van wie er één zo mooi is beschreven door Tom Wolfe in zijn Vreugdevuur der ijdelheden.

Dat waren de ware yuppen. De meesten hebben kinderen gekregen, een enkele is onlangs uit de gevangenis ontslagen, allemaal zijn ze tien jaar ouder. Auf die Heide blühen die letzte Rosen. Ach! Die Jugendzeit ist schnell vorbei! Schöne Jugend, tolle Jugend... Ik hoor het mijn vader nog in de badkamer zingen toen ik drie of vier was. Hij was geen yup. De generaties hadden toen over het algemeen nog geen namen, behalve de ""verloren generatie'' die tot de Amerikanen beperkt is gebleven.

Mijn kleine onderzoek op kantoor gaf me geen zekerheid. En zo gaat het dan met je waarnemingsvermogen: als je hersens zich eenmaal op een onderwerp hebben vastgelegd, sturen ze je ogen erop uit om alles wat terzake kan dienen op te nemen en van de rest zie je niets. Het is een soort bewustzijnsvernauwing.

Overal begon ik yuppen te zien. In Leiden stond het perron stampvol met yuppen. In de tram aan de halte kon ik de passagiers van een tram in tegengestelde richting inspecteren: ook weer veel yuppen. In een kantoor tegenover de Optiebeurs aan het Rokin zat er nog een te telefoneren, hemdsmouwen en telefoon tussen kaak en schouder. Zo ging het door.

Ik weet nog niet wat ik hieruit moet afleiden. Deze eerste vier jaar na de Koude Oorlog zijn volkomen anders dan de vijf die eraan voorafgaan. Ik heb de wereld waaraan ik in veertig jaar gewend was geraakt uit elkaar zien vallen, ja werkelijk, als een kaartenhuis. Dat heeft me niet optimistischer gemaakt. Ter voorbereiding van dit stukje keek ik eens in Het Parool. Wat zou die krant ervan denken. Op pagina 7 las ik in de voortreffelijke column van H.W. Sandberg over de jongste troebelen in Moskou: ""Het is niet niks om vanuit een comfortabele stoel met eigen ogen te zien hoe eigentijdse geschiedenis zich voltrekt.'' Op de pagina ertegenover stond de foto van een onmiskenbare yup, een jonge man met minzaam zelfvertrouwen in de lens kijkend, een baard van drie dagen en een sportieve blazer uit de herfstcollectie, ƒ 129,- in diverse kleuren.

Al doende kom ik tot de veronderstelling dat de yuppen niet zijn verdwenen maar zelfs beter floreren in die merkwaardige gespletenheid die in onze dagen het geheim van comfortabel overleven is.

    • S. Montag