Een vermoeiende hoeveelheid stijlen; Stadscollecties nemen het op voor lokale kunstenaars

Tentoonstellingen: Stadscollectie op zicht. T/m 11 nov. in Haags Gemeentemuseum. Amsterdam koopt kunst. T/m 14 nov. in Stedelijk Museum Amsterdam. Catalogus ƒ 15.

De stadscollectie is in. Rotterdam is ermee begonnen; in 1988 werd daar een stadsconservator aangesteld die binnen de muren van museum Boymans-van Beuningen een verzameling voornamelijk recente kunst van Rotterdamse makelij aanlegt. De stadscollectie is een variant op de gemeenteaankopen: beide zijn erop gericht om, als een nawee van de BKR, lokale kunstenaars te ondersteunen.

Sinds januari van dit jaar heeft ook het Gemeentemuseum Den Haag een conservator Stadscollectie. Domeniek Ruyters (1962) is geen Hagenees maar een Utrechtse kunsthistoricus die 150.000 gulden per jaar aan plaatselijke kunst heeft te besteden. Daarmee is hij de rijkste conservator in het geplaagde Gemeentemuseum dat fors moet bezuinigen. Stroom, het Haags Centrum voor Beeldende Kunst, heeft Ruyters voor drie jaar aangesteld en gedetacheerd in het Gemeentemuseum om aldaar een collectie samen te stellen die “representatief is voor de beste kunst in Den Haag na 1945”. Het accent bij de aankopen ligt, net als in Rotterdam, op de hedendaagse kunst, omdat dankzij de BKR veel plaatselijke kunstenaars sinds de oorlog goed vertegenwoordigd zijn in het museum. Wel moet Ruyters de oudere kunst (onder meer van Van Hussem, Van Bohemen en Nanninga) in Haags gemeentebezit inventariseren.

In drie jaar tijd verwacht hij zo'n honderd kunstwerken aan te kopen. Hij moet daarbij een selectie maken uit de ongeveer zevenhonderd Haagse beroepskunstenaars.

Dat de stadsconservator twee bazen tevreden moet stellen maakt een en ander ingewikkeld. Stichting Stroom wil de Haagse kunstenaars ruim baan geven, terwijl het Gemeentemuseum onder de vroegere directeur Rudi Fuchs is begonnen met uitdunning van de collectie om deze compacter te maken.

De huidige expositie in Den Haag is een aankoopvoorstel bestaande uit bruiklenen van 26 plaatselijke kunstenaars. De schilderkunst is er opvallend goed vertegenwoordigd, als een echo van de vaste collectie van het museum die inhoudelijk en formeel het uitgangspunt van de stadsconservator vormt. Ruyters noemt onder meer de geometrisch-abstracte lijn van Piet Mondriaan tot Bob Bonies, de lyrische abstractie van Martin Rous en het realisme van Co Westerik als aanknopingspunten. Dat zijn nogal verschillende richtingen waardoor de aankoopvoorstellen de indruk maken van een ratjetoe. Er zijn twee geserreerde monochrome doekjes van de oudere Tomas Rajlich (1940) uit de jaren zestig opgehangen tegenover een wandobject van geometrische glaspatronen door Margit Rijnaard (1961), dat een moderne voortzetting van deze formele richting moet representeren.

Om dezelfde reden hangen naast een recent lyrisch-abstract schilderij van Martin Rous (1939) de abstracte tweeluikjes van Sanny Overbeeke (1952). Beeldhouwer Hans van der Pennen toont Venetiaanse stadsgezichten, getekend met acryl in klei, terwijl Urs Pfannenmüller op de grond een fictieve stad uitzette. De wolkenkrabbers bestaan uit lege flessen wasmiddel, jerrycans en stukken regenpijp. Ook is er een zaal met verschillende soorten realisme: dertien zelfportretten van Philip Akkerman, surrealistische werkjes van Kees Koomen en een After Nature-achtige groep (McKellar, Kim Pols en Vooys) die een wandvullend tableau van schilderijtjes "naar de natuur' ophing. Opvallendste werk op de expositie is dat van Pim Voorneman (1961) die een ironisch commentaar levert op de minimal art door witte kubussen en rechthoeken tot plantenbakken te bombarderen. Keurig geordend staan de Kaapse viooltjes in rijen wit, roze en lila te bloeien; de kunstenaar bewatert ze eenmaal per week.

In Amsterdam doet men niet mee aan de trend. Stadscollecties mogen dan in zijn, hier presenteert men de aankopen nog onder de conventionele vlag van gemeenteaankopen. Al het aangekochte is gemaakt binnen de regio Amsterdam en uitsluitend bestemd voor de collectie van het Stedelijk Museum. Voor het eerst worden de aankopen niet getoond in museum Fodor dat immers werd opgeheven, maar in de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk. Het nieuwe Stedelijk Museum Bureau Amsterdam dat vorige week werd geopend, houdt zich alleen bezig met het signaleren van jonge Amsterdamse kunst en de aankopen vallen hier niet onder. Waarschijnlijk is het het lot van dit soort gemeentegebonden kunstaankopen, dat er een wat vermoeiende hoeveelheid stijlen wordt getoond. Een commissie van kunstenaars, kunsthistorici en twee conservatoren van het museum kocht over het jaar 1992 voor 450.000 gulden 37 tweedimensionale kunstwerken aan (om het jaar komt de driedimensionale kunst aan bod).

Er is veel fotografie, soms in conventionele verschijningsvorm zoals antropologisch getinte opnamen van Max Natkiel en de reportage over een aids-patiënt van Han Singels. Technisch gezien minder gangbaar zijn de op doek afgedrukte foto's van Lon Robbé, terwijl de inkjet-laser van Nat Finkelstein een effect sorteert dat het midden houdt tussen een kleurenfotokopie en een still van een bewegend videobeeld. Eén van de jongste deelnemers is Daniëlle Kwaaitaal die foto's van tepels, navels en gehooropeningen rangschikt tot abstract-geometrische vormen. De Ecce homo-serie van Peter Baren lijkt een registratie van een performance. Hier mis je een korte toelichting op de achtergronden van het werk. De begeleidende catalogus is met zijn strikt biografische gegevens wat àl te summier. Verder zijn er vage maar wel suggestieve opnames van sado-masochistische séances door Lena Tuzzolino en een 36-delige portrettengalerij van Ulay. Diens gefotografeerden zijn Homeless, zoals de titel luidt: de quasi-slordige afdrukken met rafelige randen wekken associaties met gevonden pasfoto's. Wildvreemden kijken je ineens recht in de ogen, wat een gevoel van eenzaamheid oproept.

De schilderkunst is hier al net zo gevarieerd als in Den Haag. Vlakbij een sereen abstract doek van Eli Content hangt "appropriation art' van het trio Heerikhuizen/Raad/Rutten. Elk van hen reproduceerde een zelfportret van Rembrandt zo precies mogelijk. De niet bijster overtuigende kopieën zijn nu als een drieluik aaneengeschoven. Ook portretten van Max Beckmann en Charley Toorop werden nagemaakt. De in krijt op schoolborden nagetekende altaarstukken door de groep Seymour Likely zijn sympathieker door hun vluchtigheid. Wie er een vinger naar uitstrekt, kan ze zo uitwissen.

    • Renée Steenbergen