Dolend Europa moet "Maastricht' al in '94 toetsen

De Europese Gemeenschap is op tal van terreinen het spoor bijster geraakt en de verwarring neemt verder toe door de slechte conjunctuur. Daarom is het dringend nodig de voor 1996 vastgestelde conferentie ter evaluatie van "Maastricht' volgend jaar al te houden. Daaraan voorafgaand is een indringend denkproces nodig. Tot nu toe blonk Buitenlandse Zaken op dit punt niet uit. Gun daarom het Instituut Clingendael de kans zo'n denkproces te structureren.

De Europese Gemeenschap is totaal de weg kwijt. De valutacrisis van deze zomer heeft het Europese Monetair Stelsel op sterk water gezet. Minister Kok noemde het nieuwe EMS een doekje voor het bloeden. De EG is voorts niet bij machte geweest een samenhangend beleid over de oorlog in ex-Joegoslavië te formuleren. Onder Duitse aandrang heeft zij Kroatië en Bosnië voortijdig erkend waardoor de burgeroorlog daar dichterbij is gebracht. En nu wil de Gemeenschap opnieuw met de VS over landbouwsubsidies onderhandelen, omdat de regering in Parijs bang is voor de Franse boeren. “Wanneer is een overeenkomst geen overeenkomst”, vroeg de Wall Street Journal zich op 22 september jongstleden af? Antwoord: “Wanneer zij door de Europese Gemeenschap is ondertekend.”

Deze verwarring wordt vergroot door de slechte conjunctuur. De economische groei is miniem en de werkloosheid loopt snel op. Het antwoord van Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie, is: meer subsidies, regulering en protectionisme. Het is het klassieke antwoord van de mercantilist. Maar de Europese economieën zijn overgesubsidieerd, overgereguleerd en overbeschermd. De Eurosclerose is weer terug - is eigenlijk nooit weggeweest.

Het grote euvel van de Europese economieën is verstarring. Zij veroorzaakt de structurele werkloosheid, die hier omvangrijker is dan in de VS of Japan. Meer aandacht voor de markt is nodig maar welke Europese leider heeft daar gevoel voor?

De politieke onzekerheid weerspiegelt de slechte conjunctuur. Helmut Kohl geniet het vertrouwen van niet meer dan een derde deel van het electoraat. Met John Major is het niet beter gesteld. De Franse regering is gegijzeld door de presidentiële verkiezingen van 1995. In Italië wordt een hele politieke klasse weggevaagd. In Nederland stelt slechts één derde van de kiezers vertrouwen in het kabinet.

Terecht schrijft E.P. Wellenstein, voormalig directeur-generaal van de EG in De Gids van januari 1993: “De Europese integratie is beland bij een waterscheiding, al geven weinigen er blijk van dat te beseffen.” Wij moeten opnieuw overdenken wat de doelstellingen van de Gemeenschap zijn, welke middelen het meest geschikt zijn om die doelstellingen te bereiken, wat de maximale omvang van de Gemeenschap is en wat er zal overblijven van de staten waarin wij ons thuis voelen.

De eerste taak is duidelijk uiteenzetten wat door de nationale parlementen wordt gedaan en wat door Brussel. Tot nog toe ontbreekt een dergelijke stelregel want het veelbesproken subsidiariteitsbeginsel is te vaag. Wat wij nodig hebben, is iets dat lijkt op het tiende amendement van de Amerikaanse grondwet: “Alle bevoegdheden die niet door de Grondwet aan de Verenigde Staten zijn gedelegeerd, noch door die Grondwet voor de lidstaten zijn verboden, zijn gereserveerd voor de respectievelijke lidstaten of voor het volk.”

Het Britse blad The Economist heeft dit amendement op de volgende wijze aan de Europese Gemeenschap aangepast: “Alle wetten worden op nationaal niveau, of lager, gemaakt - behalve wanneer grensoverschrijdende stromen van goederen, diensten, kapitaal, mensen en vervuiling gemeenschapswetgeving onvermijdelijk maken.”

In tegenstelling tot het ondoordringbare proza van het Verdrag van Maastricht is een dergelijke stelregel onmiddellijk te begrijpen en aan iedereen uit te leggen. Wat zou aanvaarding ervan betekenen? Geen Brusselse bemoeienis met industriepolitiek, volksgezondheid of onderwijs. Het sociale protocol, dat aan het Verdrag van Maastricht is opgehangen, zou verdwijnen. Washington bepaalt niet de maximale werktijden van volwassenen in wat de grootste federale staat ter wereld is. Moet Brussel dat wel doen voor een Gemeenschap die nog lang geen federatie is?

Een dergelijke stelregel zou het makkelijker maken de landbouwbegroting en de zogeheten structuurfondsen te beteugelen. Dat is meer dan ooit nodig. Onder het Delors-I programma zijn de begrotingen voor landbouw en industriële ontwikkeling en de structuurfondsen de afgelopen vijf jaar verdrievoudigd.

Ondere het Delors-II programma zullen deze begrotingen vóór het jaar 2000 zijn verdubbeld. Is er iemand die denkt dat Griekenland, Spanje, Ierland en Portugal een verkleining van die programma's zonder verwoede strijd zullen aanvaarden, nu zij de smaak ervan te pakken hebben gekregen?

De tweede taak is de monetaire samenwerking opnieuw overwegen. Stabiliteit van de wisselkoersen blijft even noodzakelijk als tevoren. Bij afwezigheid daarvan kan maar al te gemakkelijk naar het wapen van de concurrerende devaluatie worden gegrepen, wat inflatie voor het land in kwestie in de hand werkt en handelsfrictie met de andere lidstaten kan veroorzaken. Maar “de EG is helemaal niet klaar voor de aanloop naar één munt en één centrale bank”, zoals de directeur van De Nederlandsche Bank André Szàsz onlangs zei.

Sommigen menen dat de Monetaire Unie juist versneld moet worden ingevoerd. Maar wie meent dat na het EMS-debâcle landen als Duitsland en Frankrijk hun monetaire soevereiniteit op zullen geven, draait zich een rad voor ogen. Het is een sprong in de duisternis die niemand zal wagen.

Anderen willen een stap terugdoen in de tijd. Jacques Delors, interventionist als steeds, wil de vrijheid van kapitaalverkeer aan banden leggen. Een monetair "Fort Europa' dus. Maar er is geen weg terug van de liberalisering der kapitaalmarkten.

In monetaire zaken moeten wij uithuilen en opnieuw beginnen. Wij moeten mikken op een realistisch doel dat dichterbij ligt. Dat doel kan niet anders zijn dan een vergrote D-markzone: Duitsland, de Benelux, Denemarken, Oostenrijk en (misschien) Frankrijk. Werkt dat, dan kan op termijn een mini-Europese Centrale Bank voor die zone worden overwogen.

De derde taak is korte metten maken met het democratische gat. Internationale handelsverdragen worden in de VS door het Congres bekrachtigd. In de Europese Gemeenschap komen noch het Europese noch de nationale parlementen er aan te pas. Het is maar een voorbeeld onder vele. Alles wat de Gemeenschap doet, moet hetzij in Straatsburg hetzij nationaal kunnen worden verantwoord. Laten wij die taak liggen dan zal de vervreemding tussen de burgers en de Gemeenschap nog sneller groeien dan nu.

De vierde taak is onszelf en ieder ander helder voor ogen zetten wat er uiteindelijk zal overblijven van de staten waarin wij wonen en waarin wij ons thuis voelen. In de tijd voorafgaande aan de top van Maastricht van december 1991 is hierover vooral mist verspreid en dubbelhartigheid getoond. De Franse minister van buitenlandse zaken Roland Dumas verklaarde zich in Brussel voorstander van een federaal Europa maar zei in Parijs dat hij natuurlijk geen afstand zou doen van vitale belangen. Premier Lubbers zei op 27 juni 1991 in De Volkskrant: “Ik vind het niet verstandig om het woord federaal te schrappen, want het is het einddoel waarnaar wij streven.” Maar in de Tweede Kamer heeft hij beaamd dat het "nog alle kanten op kan'. In het jongste jaarboek van het CDA staat zijn politiek testament onder de titel: "Een balans; terugblikkend vooruitzien'. Noch in het terugblikken, noch in het vooruitzien, heb ik een richtinggevende opmerking over Europa kunnen bespeuren.

Politici die over zulke belangrijke zaken zo vaag blijven, vragen om de moeilijkheden die zij hebben gekregen.

De vijfde taak betreft de buitenlandse politiek. Afgezien van de handelspolitiek heeft de EG die nog nooit gehad. De Verklaring van Venetië van 1980 over het Arabisch-Israelische conflict heeft op geen der partijen enige invloed uitgeoefend. In de Golfoorlog voeren wij mee in het Amerikaanse konvooi. Ons ontbreken twee essentiële zaken: een gemeenschappelijke wil en een gemeenschappelijk belang. Die hadden wij wel toen het Oostblok nog bestond. Vandaag moeten wij vooral geen verwachtingen scheppen die wij niet kunnen waarmaken. Voor het overige moeten wij de band met Washington koesteren.

En ten zesde moeten wij helderheid scheppen over de maximale omvang van de Europese Gemeenschap. Oostenrijk, Zweden, Finland en later Noorwegen staan op de stoep. Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije willen binnenkomen. Wij koersen aan op een gemeenschap van 20 of 24 lidstaten. Waar moet die uitbreiding stoppen? Bij de Baltische Staten? De Oekraïne? De Balkanstaten? Turkije? Waar liggen de natuurlijke grenzen van de EG?

Wie denkt dat een EG van 24 - of zelfs 16 - lidstaten niet anders werkt dan een gemeenschap van 12, is blind voor de werkelijkheid. Daarom moeten bovenvermelde wezensvragen worden beantwoord voordat nieuwe lidstaten worden toegelaten.

Voor 1996 is een conferentie voorzien die het Verdrag van Maastricht zal evalueren en aanpassen. De toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden is voorzien voor 1995. Ofwel hun toetreding moet worden vertraagd, of de toetsingsconferentie moet worden vervroegd.

Gezien het dringende belang is de tweede mogelijkheid te verkiezen. De lidstaten van de EG zouden al in 1994 moeten bijeenkomen om te overwegen (in de woorden van Wellenstein) “hoe een kader te scheppen waarin velen welkom zijn, doch niet allen aan alle kerntaken deelnemen, terwijl degenen die dat wel doen zich daartoe ook verbinden en niet door de overigen daarin worden belemmerd.” In feite pleit Wellenstein hiermee voor een heronderhandeling van het Verdrag van Maastricht. Maar dat is toch al veel te ambitieus gebleken. Wij hebben een bescheidener agenda nodig. Ook een kaartenhuis dat instort, kan schade aanrichten.

Eind oktober is er een nieuwe Europese topconferentie. Laat Nederland daar het bovenstaande voorstellen. Maar dan moeten wij ook weten wat wij willen voordat die toetsingsconferentie in 1994 van start gaat. Een indringend denkproces is nodig. Eigenlijk zou het ministerie van buitenlandse zaken dat proces moeten structureren. Maar inzake de architectuur van de Europese Gemeenschap heeft dat ministerie niet uitgeblonken door zin voor de werkelijkheid. En nog steeds, want de begroting voor 1994 vermeldt: “De keuze tussen uitbreiding en verdieping behoeft geen dilemma te vormen.” Deze stelling doet denken aan een spreuk in een Tibetaanse gebedsmolen.

Wie moet dat indringende denkproces dan structureren? Laat het Instituut Clingendael dat doen. Laat dat instituut een dozijn van de meest betrokkenen, verdeeld over de grote partijen, uitnodigen voor een serie gesprekken over hoe het nu verder moet met de Europese Gemeenschap. Nu laten wij Gods water over Gods akker lopen en daarvoor heeft de zaak iets te veel belang.