De opkomst van het regioconflict

De secretaris-generaal van de NAVO, Manfred Wörner, schetste onlangs op kernachtige wijze de nieuwe veiligheidssituatie waarop vele krijgsmachten, waaronder de Amerikaanse, een passend antwoord moeten formuleren: “De ineenstorting van het Sovjet-communisme is uitgemond in een paradox: er is minder dreiging, maar ook minder vrede.” Dat met het aantreden van de intellectuele zwaargewicht Aspin als minister van defensie in de Verenigde Staten een ander defensiebeleid te verwachten viel, was bij voorbaat duidelijk. Vorig jaar had hij zich met zijn vele rapporten en lezingen als voorzitter van de defensiecommissie van het Huis van Afgevaardigden als het ware al warm gelopen voor dit door hem zo felbegeerde ambt.

Hij pleitte er toen herhaaldelijk voor de "top down'-benadering van de regering-Bush te vervangen door een "bottom up'-benadering, gebaseerd op een dreigingsanalyse van de nieuwe veiligheidssituatie. Inmiddels heeft Aspin de daad bij het woord gevoegd. In zijn onlangs verschenen "bottom up review', heeft hij het intellectuele fundament gelegd voor het Amerikaanse defensiebeleid voor de komende vijf jaar. Aspin onderscheidt in zijn veiligheidsanalyse vier gevaren die de belangen van de Verenigde Staten kunnen bedreigen: ten eerste regionale conflicten, ten tweede proliferatie van massa-vernietigingswapens, ten derde een zwakke binnenlandse economie, en tot slot het mislukken van de democratische hervormingen in de voormalige Sovjet-Unie en Centraal- en Oost-Europa.

In een toelichting verklaarde Aspin dat hoofdzakelijk de regionale conflicten bepalend zullen zijn voor de omvang van het defensiebezit. Als uitgangspunt voor de defensieplanning gaat het nieuwe beleid van twee scenario's uit, namelijk een aanval van een herbewapend Irak op Koeweit en Saoedi-Arabië, en een offensief van Noord-Korea tegen Zuid-Korea. De nieuwe zogenaamde "win-win'-strategie houdt in dat de Verenigde Staten beide conflicten vrijwel gelijktijdig met succes moeten kunnen voeren. Aspin meent dat voor het winnen van een regionaal conflict een militair "buildingblock' vereist is dat bestaat uit vier tot vijf landmachtdivisies, vier tot vijf expeditionaire mariniersbrigades, tien luchtmacht "fighterwings', honderd zware bommenwerpers, vier tot vijf rondom vliegkampschepen gegroepeerde gevechtsgroepen, en eenheden voor speciale operaties. Desgevraagd verklaarde de Amerikaanse minister van defensie dat hij zijn planning heeft gebaseerd op het unilaterale optreden van de Verenigde Staten.

Minister van buitenlandse zaken Warren Christopher merkte hierover onlangs op dat multilateralisme voor de Verenigde Staten een middel is en geen doel. Multilateralisme zal alleen gebruikt worden, zo zei hij, wanneer het om Amerikaanse belangen gaat. Wat parate Amerikaanse eenheden betreft, zal vergeleken met de "baseforce', die de regering-Bush in 1995 voor ogen stond, in de nieuwe plannen de landmacht tegen 1999 in plaats van twaalf nog maar tien divisies hebben. De marine gaat terug van dertien vliegkampschepen en 451 schepen naar twaalf vliegkampschepen en 346 schepen. De luchtmacht zal in plaats van 15.3 nog 13 "fighterwings' tellen.

De ingrijpende gevolgen van het einde van de Koude Oorlog voor de Amerikaanse krijgsmacht blijken vooral wanneer men deze cijfers afzet tegen de parate sterkte ten tijde van de val van de Berlijnse muur. De landmacht telde toen nog achttien divisies, de marine beschikte over zestien vliegkampschepen en 546 schepen, en bij de luchtmacht vlogen toen nog 24 "fighterwings' rond. De omvang van het militaire personeelsbestand zal onder Aspin omstreeks 1999 tot 1,4 miljoen man zijn verminderd. In de plannen van Bush zou de Amerikaanse krijgsmacht tot 1,6 miljoen militairen teruggaan. Het korps mariniers komt bij Aspin het minst gehavend uit de reducties tevoorschijn. Terwijl het aantal mariniers onder Bush zou verminderen van 182.000 tot 159.000, zal onder Aspin de sterkte van dit korps 174.000 bedragen.

Opvallend is dat de Verenigde Staten een vrij grote overzeese militaire presentie handhaven. In tegenstelling tot de verwachting dat onder Clinton het aantal Amerikaanse militairen in Europa zou verminderen tot 50.000, zullen er in de toekomst 100.000 op ons continent aanwezig blijven. Dit wordt beschouwd als een belangrijk politiek signaal aan de Europese partners. In Noordoost-Azië (Zuid-Korea en Japan) zullen ook ongeveer 100.000 Amerikaanse militairen gestationeerd blijven. Daarnaast zal het Pentagon eveneens als onderdeel van de "voorwaartse presentie' nog meer materieel en uitrusting op land en op zee rondvarende "maritime pre-positioning'-schepen opslaan. Eenheden die vanuit de Verenigde Staten worden ingevlogen zijn op deze wijze in korte tijd direct inzetbaar.

Een belangrijk punt van kritiek op de plannen van Aspin is het ontbreken van een financiële onderbouwing. Woordvoerders van het Pentagon hebben echter verklaard dat de plannen van Aspin in vergelijking met die van de Bush-administratie in de komende vier jaar een besparing van 127 miljard dollar opleveren. Een voor de hand liggende vraag die bij bestudering van de plannen van Aspin rijst, is of de "win-win'-strategie als hoeksteen van het nieuwe defensiebeleid wel aansluit bij het dominante conflictenpatroon in de wereld. De proliferatie van nieuwe onafhankelijke staten met hun binnenlandse politieke, economische en sociale problemen heeft het fenomeen "burgeroorlog' namelijk een hoge plaats op de veiligheidsagenda bezorgd. Van de dertig oorlogen die er vorig jaar mondiaal werden uitgevochten, was er slechts één interstatelijk.

In deze niet-conventionele oorlogen zijn de traditionele beginselen van oorlogvoering, zoals verrassing, offensief en concentratie vaak niet van toepassing. In tegenstelling tot de conventionele oorlog ligt in dit soort conflicten het zwaartepunt meestal niet bij de strijdkrachten van de tegenstander(s), maar veeleer in de sociaal-politieke conditie van de inheemse bevolking. De vraag is of conventionele strijdkrachten met een hoogwaardige militaire technologie wel een adequaat antwoord kunnen geven op binnenlandse conflicten zoals in Somalië, Angola, Cambodja en het voormalige Joegoslavië. Tomahawk-kruisraketten zijn immers niet het meest geëigende middel voor het creëren van een politieke en maatschappelijke orde.

In zijn recente toespraak tot de Verenigde Naties heeft president Clinton inmiddels al duidelijk gemaakt dat de Verenigde Staten zich uiterst selectief gaan opstellen tegenover de deelname aan dit soort conflicten. “Als de Amerikaanse bevolking ja zegt tegen vredeshandhaving door de VN, moeten de VN weten wanneer zij neen moeten zeggen”, luidde zijn waarschuwing aan de mondiale organisatie. De recente ervaringen in Somalië versterken deze nieuwe trend in het Amerikaanse buitenlands beleid. Hoe dan ook, een ding staat vast. De plannen van Aspin zijn in ieder geval een belangrijke aanzet voor een substantiële discussie in het Congres over de wijze waarop de Verenigde Staten in de nabije toekomst hun defensiegelden zullen besteden.

    • C. Homan