DE LAST VAN 3000 JAAR GESCHIEDENIS

The Greeks. The Land and People Since the War door James Pettifer 256 blz., Viking 1993, f 61,10 ISBN 0 670 84084 X

A Concise History of Greece door Richard Clogg 257 blz., Cambridge University Press 1992, f 76,90 (geb), f 33,55 (pbk) ISBN 0 521 37830 3 (pbk)

The Decline and Fall of the Ottoman Empire door Alan Palmer 306 blz., John Murray 1993, f 51,85 ISBN 0 7195 5281 8

Het is nu bijna drie weken geleden, maar ik ben nog altijd verbaasd. Het decor leek zo perfect: achter mij sudderden de steile uitlopers van de Griekse Pindus in de namiddagzon, links van mij strekte een adembenemend blauwe baai zich naar de horizon en voor mij stond een glaasje ouzo te wachten op het eerste nipje. Zeshonderd, had de man toen gezegd zonder met zijn ogen te knipperen.

Zeshonderd? Zeshonderd!

Het glaasje ouzo, de nationale drank, de brandstof van het Griekse sociale leven, de anijzige troostbrenger voor generaties Hellenen, en bovendien mijn eigen gekoesterde aperitief, kostte een schaamteloze zeshonderd drachmen: twee vingerkootjes alcohol voor f 4,80, bijna tien keer zo veel als een jaar geleden op hetzelfde terras. Het mooiste land van het westelijk halfrond was plotseling een klein beetje minder mooi geworden. Het ging, zo moest de conclusie luiden, niet goed met Griekenland.

Dat komt door Europa, zei de uitbater met een wegwerpgebaar. In zekere zin is dat waar. Griekenland moet zich sinds dit jaar houden aan de harmonisatie van de wetgeving op het gebied van spiritualiën, met alle catastrofale consequenties van dien. In zekere zin is het ook niet waar. Europa krijgt in Griekenland al gauw de schuld van alles dat tegenzit, van de onafwendbare opkomst van Joegoslavisch Macedonië als zelfstandige staat, tot de gierende geldontwaarding en de bosbranden aan toe. In werkelijkheid is het land met zijn negen miljoen inwoners een van de grootste ontvangers van EG-steun en zou zonder de subsidies uit Brussel zeker niet op de huidige voet kunnen doorleven.

Alleen al in de periode tussen 1989 en 1993 ontving Griekenland 7 miljard ECU aan directe hulp, en daarnaast nog een onbekend bedrag aan indirecte steun. Desondanks is het Bruto Binnenlands Produkt de laatste tien jaar steeds verder gedaald, tot onder de helft van het EG-gemiddelde. De overheidsschuld is intussen gegroeid tot bijna anderhalf keer dat BBP, en hoewel uit Brussel strenge woorden klinken over verplichte bezuinigingen van ten minste 500 miljard drachmen (ca. 400 miljoen gulden) per jaar, groeit het geldverslindende Griekse ambtenaren-legioen elke twaalf maanden gestaag verder met 4.4 procent.

EXPLOSIE

In 1991 kwam de huidige demissionaire premier Konstantijn Mitsotakis van de centrum-rechtse Nieuwe Democratie-partij met een boodschap van neo-liberalisme en ingrijpende bezuinigingen aan het bewind. Na tien jaar linkse regeringen van Andreas Papandreou's Pan-Helleense Socialistische Partij (PASOK) zou hij de bezem halen door de politiek die besmet was geraakt door corruptie-schandalen, nepotisme en verduistering. Dat is niet erg gelukt: ondanks het vrijwel bevriezen van de lonen zijn de prijzen steeds verder gestegen, is de kloof tussen rijk en arm dramatisch vergroot, staat de drachme zwakker dan ooit, zijn de belastinghervormingen volkomen mislukt en moest zelfs minister van industrie Andreas Andrianopoulos niet lang geleden toegeven dat het overheidstekort ""de afmetingen van een enorme explosie'' heeft aangenomen. Bovenal is er geen einde gekomen aan het aloude rouspheti, het systeem van politiek cliëntelisme en patronage, dat op zijn best een ondoorzichtige verknoping van diensten en wederdiensten is, en op zijn slechtst onverholen omkoping.

Ogenschijnlijk heeft Griekenland de afgelopen decennia een enorme welvaartsprong gemaakt, maar in feite zou het land allang failliet zijn als de EG-steun er niet was, en vooral als niet ongeveer veertig procent van de economie "zwart' was, oftewel zich buiten het zicht van de staat voltrok. Hoewel er een algemeen gevoel van ontevredenheid is over de economische misère, is het niet het belangrijkste politieke twistpunt dat de gemoederen bezighoudt. Papandreou denkt de economie te kunnen versterken door investeringen, Mitsotakis ziet de oplossing in privatisering, onder meer van de al jaren slecht renderende nationale luchtvaartmaatschappij Olympic Airways. Voor rigoureuze belastingverhogingen, iets waarop in Brussel onverholen wordt gezinspeeld, voelt niemand. De regering is onlangs dan ook niet gevallen over economische perikelen, maar over iets dat momenteel in Griekenland als veel zwaarwichtiger wordt beschouwd: de kwestie Macedonië.

De wankele meerderheid van Mitsotakis, die overigens pas tot stand kwam na drie nek-aan-nek-verkiezingen in één jaar, ging verloren toen enkele parlementariërs zich van zijn Nieuwe Democratie-partij afscheidden en onder leiding van de flamboyante hard-liner Antonis Samaras de beweging Nieuwe Lente op poten zetten. Een van hun voornaamste programmapunten is een compromisloze afwijzing van het gebruik van de naam Macedonië door de voormalige Joegoslavische republiek aan Griekenlands noordgrens. De electorale steun voor hun opvattingen is onduidelijk, en wordt tussen de nul en tien procent geschat, maar aan de agenda die de Nieuwe Lente heeft gesteld valt ook voor de krasse zeventigers Mitsotakis en Papandreou niet te ontkomen.

STEMBUS

Morgen gaan de Grieken ter stembus en hoewel niet iedereen in West-Europa het schijnt te onderkennen, speelt Macedonië zo op een zonderlinge manier een overheersende rol. Dit probleem is veel complexer dan alleen geruzie over een naam en gepalaver over symbolen zoals de ster van Vergina en de witte toren van Thessaloniki die plots op Joegoslavisch-Macedonische geldstukken opduiken. De zaak ligt ook veel te diep om alleen maar lacherig te reageren op de momenteel overal in Griekenland officieel uitgedragen aanspraak dat ""Macedonië al drieduizend jaar Grieks'' is. In de oudheid mochten de Macedoniërs juist lange tijd niet meedoen aan de Olympische Spelen omdat zij niet als Helleens werden beschouwd, maar dit doet weinig af aan het feit dat Macedonië nu een tijdbom is die tikt op de Balkan. En dat terwijl Griekenland toch al sombert in de schaduwen van de burgeroorlog in Joegoslavië, de moeilijkheden met Albanië, de onderlinge schermutselingen der orthodoxe geloofsgenoten in Rusland, de onzekere relatie met het in de greep van de Oosteuropese mafia wegzinkende Bulgarije, en de alweer toegenomen traditionele animositeit met Turkije.

De uitbundigheid waarmee verkiezingen in Griekenland doorgaans gepaard gaan, ontbreekt dit keer dan ook een beetje. Het land verkeert in een uitermate moeilijke situatie - en de nabije toekomst lijkt niet veel rooskleuriger. Geen wonder dat twee uitstekende recente boeken over het moderne Griekenland allebei eindigen met een slotakkoord dat zorgelijk nagalmt. De befaamde Britse hoogleraar Moderne Geschiedenis van de Balkan, Richard Clogg besluit zijn A Concise History of Greece al even weinig vrolijk als de Times-, Economist- en Independent-journalist James Pettifer zijn The Greeks.

Het nieuwe werk van Clogg, die eerder naam maakte met zijn onderhand klassieke A Short History of Modern Greece, is een strak en evenwichtig geschreven overzicht van de geschiedenis van Griekenland vanaf de eerste nationalistische opstanden in het begin van de negentiende eeuw tegen het Ottomaanse gezag tot heden. Dit boek heeft alles om een klein standaardwerk te worden: een scherpe en duidelijk geformuleerde presentatie van de ingewikkelde historische ontwikkelingen, een hoog tempo, voldoende human interest en een uitstekende bibliografie.

Het boek van Pettifer concentreert zich op de Griekse geschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog en vertelt half-chronologisch, half-thematisch het verhaal van de bloedige burgeroorlog in de tweede helft van de jaren veertig, de wankele wederopbouw aan de leiband van de Amerikanen, de junta-jaren, de opkomst van het massa-toerisme, de toetreding tot Europa, en de manier waarop dat alles het leven der Grieken heeft beïnvloed. De boodschap van beide boeken is duidelijk: de positie van Griekenland kan alleen begrepen worden in het licht van de zonderlinge wording van deze au fond nog zo jonge natie.

IJKPUNT

Van alle landen ter wereld gaat Griekenland misschien wel het diepst gebukt onder zijn eigen geschiedenis. Het is voor een kleine, arme en naar moderne ontwikkeling hunkerende staat niet altijd een pretje door het leven te moeten als de wieg der beschaving, de geboortegrond van de democratie, de moeder van filosofie, literatuur en theater. Soms drukt de Klassieke Oudheid als een loden last, althans de moderne mythe die wij Oudheid noemen en als een onaantastbaar ijkpunt van de Westerse cultuur geldt. Die Oudheid vol ranke zuilen, diepzinnige wijsgeren en heroïsche aanvoerders is voor het moderne Griekenland immers nooit te overtreffen.

Anderzijds helpt die Oudheid soms wel bij het bereiken van politieke doeleinden, zoals in het geval van de toetreding tot de Europese Gemeenschap toen de Britse regering, blijkbaar nog niet geheel bevrijd van de Victoriaanse verheerlijking der klassieken, die stap volgens een officiële verklaring zag als ""een passende terugbetaling van het huidige Europa voor de culturele en politieke schuld die wij hebben tegenover de Griekse erfenis van bijna drieduizend jaar oud''.

Voor de moderne Grieken is dat gedweep met de Oudheid in zekere zin een vrij nieuw verschijnsel, en geheel en al geïmporteerd uit West-Europa. Tijdens de opstand tegen de Turken bleken de klassieke taal en geschiedenis, zo lang door de orthodoxe kerk afgedaan als heidens, plotseling een enorme aanjager van nationalistische gevoelens en een bindmiddel voor de intelligentsia. Zo ontstond er een merkwaardige en wankele coalitie van lokale vrijbuiters, orthodoxe anti-islamieten en stadse intellectuelen die uiteindelijk leidde tot de eerste volwaardige nationale beweging op de Balkan (de onderdrukte opstand der Serven in 1804 had een voorbeeldwerking). Onderlinge twisten en een grote tegenaanval van de Ottomanen leidde in 1827 tot Westers ingrijpen, en dat maakte de Griekse onafhankelijkheid onafwendbaar. Zo ontstond de eerste en misschien wel de enige werkelijk succesvolle natie-staat die voortkwam uit het desintegrerende Ottomaanse Rijk. Over dit fascinerende proces, en alle gevolgen van dien op onder andere de Balkan, verscheen onlangs The Decline and Fall of the Ottoman Empire van de Engelse historicus Alan Palmer, een alleszins leesbaar werk waarin de historische wortels van menige brandhaard in de moderne wereld (Bosnië, de Koerden, Macedonië, Irak) worden blootgelegd.

Sinds 1830 is Griekenland bezig met vallen en opstaan te bouwen aan de eigen nationale identiteit - en aan de bepaling van het eigen "Griekse' territorium. Pas in 1913 werd Macedonië deel van Griekenland, en eerst in 1947 kwamen met de inlijving van de Dodecanese eilanden de huidige grenzen tot stand. Dit alles is voor de Grieken levend verleden: zo werd de huidige president Konstantijn Karamanlis in 1907 in Macedonië nog geboren als Ottomaans staatsburger.

NOORD-EPIRUS

De fundamentele moeilijkheid is dat de grenzen van "Griekenland' nooit scherp hebben gelegen. In de oudheid was er nimmer een eenheidsstaat Griekenland, alleen elkaar bevechtende Griekse staatjes in een steeds uitdijend Helleens cultuurgebied. Slechts de verovering door de Macedoniërs onder Alexander de Grote en later door de Romeinen bracht eenheid, hoewel die laatsten aarzelden voordat ze het Griekse schiereiland als provincie inlijfden, juist omdat het zo moeilijk was de juiste grenzen te bepalen. Dat is nu nog het geval: in Griekenland wordt soms openlijk nog gesproken over Zuid-Albanië als "Noord-Epirus', niet alleen wegens de Grieks-sprekende minderheid daar, maar ook omdat het gebied daadwerkelijk tussen 1914 en 1921 door de Westerse mogendheden aan Griekenland was toegewezen.

Voor de Griekse natie bood ook de taal echter geen duidelijke handvat voor territoriale afbakening. Sinds de oudheid zijn de Grieken een volk van de diaspora en in de negentiende eeuw waren er grote Grieks-sprekende gemeenschappen in Egypte, Zuid-Rusland, Klein-Azië en de Verenigde Staten - later kwamen daar Zuid-Afrika en Australië nog bij. Bovendien zijn niet alle Grieken Griekstalig, ondanks het officiële standpunt dat er geen etnische minderheden in het land bestaan: in het noorden woont een aanzienlijke Turkse minderheid, in de Pindus leven de restanten van het ooit omvangrijke volk der Vlachen en in grote delen van Macedonië werd tot voor kort Slavisch gesproken. De Griekse overheid treedt weinig coulant op tegen deze minderheden, en de Slavisch-sprekende Grieken (die tijdens de oorlog en burgeroorlog de kern van het communistsich verzet vormden) zijn zelfs met harde hand onderdrukt en gedeporteerd.

"Grieks' is dus een vloeiend, weinig grijpbaar begrip; vandaar dat Griekenland sinds de onafhankelijkheid zo hartstochtelijk gebouwd heeft aan de eigen nationale identiteit. De glorie uit het verleden drukte zo zwaar dat het soms de vorm kreeg van progonoplexia, "voorouder-itis', de ziekelijke verering van de klassieken als rechtstreekse stamvaders.

Dit alles verklaart waarom Griekenland zo halsstarrig vasthoudt aan het alleenrecht op de naam Macedonië. Als het land zou toegeven aan de claim van de voormalige Joegoslavische republiek, zou het niet alleen aan de eigen nationale integriteit tornen, maar zou dit ook de mogelijkheid vergroten dat het vanouds meest complexe probleem van de Balkan opnieuw tot uitbarsting komt.

Macedonië is een onontwarbare etnische mengelmoes (niet voor niets heet de gemengde salade Macedoine), die betwist wordt door de "Vier Wolven' in de regio: Griekenland, Servië, Albanië en Bulgarije. In de negentiende eeuw probeerden de Westerse mogendheden uit het mozaïek dat de "zieke oude man' (het Ottomaanse Rijk) achterliet in Europa een overzichtelijk geheel te maken, maar dat lukte in het geval van Macedonië geenszins. Bij het Verdrag van San Stefano in 1878 en het navolgende Congres van Berlijn werd het gebied eerst grotendeels aan Bulgarije gegeven en toen weer afgenomen. Rond de eeuwwisseling was er een hevig vechtende kluwen ontstaan van Serven, Bulgaren, Grieken en Macedoniërs. Die laatsten raakte overigens ook nog eens onderling slaags over de kwestie van onafhankelijkheid of aansluiting bij Bulgarije.

NATIONALISME

In de toch al zo onzekere toestand op de Balkan is momenteel onmiskenbaar sprake van een oplaaiend fundamentalistisch nationalisme in de voormalige Joegoslavische republiek, en de sterkste partij in het parlement te Skopje is openlijk expansionistisch en op Bulgarije gericht. De Griekse zorgen worden in ieder geval niet weggenomen door redevoeringen van de schilderachtige vice-president Ljupco Georgievski, die niet lang geleden verklaarde dat 51 procent van het volk van Macedonië in Griekenland woont en dat dat deel zich onverwijld zou moeten aansluiten bij een Macedonische eenheidsstaat onder zijn leiding.

Vandaar dat Griekenland lonkt naar Servië om Joegoslavisch Macedonië onder de duim te houden, hoewel president Milosevic in het verleden openlijk het aloude Groot-Servische standpunt heeft beleden dat Grieks-Macedonië in feite Zuid-Servië is. Ondertussen moet Joegoslavisch Macedonië ook niet desintegrerren, want dan dreigt opnieuw een Groot-Albanië aan Griekenlands noordgrens te ontstaan, en zou Bulgarije (dat net als Turkije en Rusland het Joegoslavisch Macedonië onmiddellijk als onafhankelijke staat erkende) wel eens zijn traditionele "drang naar Thessaloniki' niet kunnen bedwingen.

Griekenland verkeert in een schizofrene positie. Het is alleszins een Westers land - open, rationalistisch, modern - maar het is ook alleszins een Balkan-land - verwikkeld in de regionale politiek, zelf voortgekomen uit het Ottomaanse Rijk, naar binnen gekeerd, etnisch denkend, nog hangend naar Constantinopel, I Polis, "de stad' die als centrum geldt van de Orthodoxe wereld.

In hun hart hebben de Grieken misschien nooit helemaal kunnen kiezen. In 1981 probeerde Mitsotakis hun stemmen te winnen met de slagzin "Griekenland behoort tot het Westen', maar de socialist Papandreou overtroefde hem dank zij de slogan "Griekenland behoort tot de Grieken'. En in 1821, aan de wieg van de moderne Griekse staat, betoogde de bandietenleider en vrijheidsheld Theodoros Kolokotronis nog dat zijn landgenoten veel meer gemeen hadden met de Turken, die zij net verjaagd hadden, dan met de Westeuropeanen. Hij beschuldigde de eerste president van Griekenland, Ioannis Kapodistrias, ervan het land in één klap "Frankisch' (Westers) te willen maken, terwijl het veel beter was eerst eens te beginnen met een mengeling van ""drie delen Frankisch en zeven delen Turks''.

DONATIE

Het is misschien geen wonder dat de houding van West-Europa tegenover Griekenland wankelt tussen dweperig fil-hellenisme en geïrriteerd onbegrip. Soms pakt dat in het voordeel van de Grieken uit, zoals aan het eind van de jaren zeventig toen het EG-lidmaatschap in de schoot werd geworpen door de Franse president Valéry Giscard d'Estaing, een onversneden fil-helleen van negentiende-eeuwse snit, en Hans-Dietrich Genscher, die zijn liefde voor Griekenland onder meer heeft uitgedrukt met de aankoop van een vakantiehuis op het eiland Skiathos.

Met het einde van de Koude Oorlog heeft Griekenland echter veel van zijn strategisch belang voor het Westen verloren, en de belangstelling van de grote mogendheden richt zich nu veel meer dan vroeger op Turkije als bondgenoot in het Midden-Oosten en bastion tegen het moslim-fundamentalisme. Nog in mei 1992 lukte het Griekenland tijdens de tumultueuze vergadering van ministers van buitenlandse zaken van de EG in Lissabon een donatie aan de Turken van 600 miljoen ECU te saboteren, maar alles wijst erop dat het geduld van de andere Europese landen op raakt.

Dat zou zeer te betreuren zijn, en wie zich nog de zorgeloze nonchalance herinnert waarmee Europese ministers van buitenlandse zaken (onder wie een zelfverzekerd glimlachende Hans van den Broek) enkele jaren geleden naar Joegoslavië togen om daar eens orde op zaken te stellen, houdt zijn hart vast. Meer dan ooit geldt immers de oude wijsheid dat de Balkan meer geschiedenis produceert dan het Westen kan verteren.

    • Bastiaan Bommeljé