De gebaande weg

Het eerste wiel moet lomp en houterig zijn geweest, lang niet zo sierlijk en uitgebalanceerd als de metalen raderen die onze samenleving in beweging houden. Uitvindingen zijn zelden perfect. Zij zijn de eerste onhandige pogingen een beginsel te veraanschouwelijken, een nieuw inzicht in omloop te brengen. De eerste fiets, de eerste auto, het eerste radiotoestel waren stijve constructies waarin pasontdekte mogelijkheden op een linkse wijze waren veruitwendigd. Er is altijd een grote haast om nieuwe vindingen aan het licht te brengen, te vertonen. Pas daarna beginnen zij hun eigenlijke leven dat zowel een proces van verjonging als van veroudering inhoudt en waardoor zij ons overleven zonder ons te overtreffen.

De ene uitvinding sleept de andere met zich mee. De stoomlocomotief was hulpeloos zonder een eigen ijzeren weg waarlangs zij zich kon voortbewegen. Deze ijzeren weg heeft zij aan haar geëlektrificeerde opvolgster nagelaten. Zelf tot uitsterven gedoemd, leeft zij voort in de weg die zij zich heeft gebaand.

Er zijn weinig uitvindingen waardoor de mensheid zo gefascineerd is geweest als door de spoortrein, die het spel van de kinderkamer naar de open lucht heeft verplaatst. Elke man heeft als jongen wel machinist op een locomotief of treinconducteur willen worden en ook aan meisjes zijn die betoverende beroepen niet spoorloos voorbijgegaan. Sommige mannen, die het tot industrieel of bankdirecteur hebben gebracht, bezitten in hun huis een vertrek of zolder waar zij in miniatuur een spoorwegnet hebben aangelegd, een gemechaniseerde droomwereld waarvan zij het verkeer regelen met de ernstige speelsheid die hun in hun beroep is onthouden. Met weemoed hebben de oudsten onder ons afscheid genomen van de laatste stoomlocomotief die in ons land, tenslotte nog als een bezienswaardigheid, is blijven rijden, een overgangsfiguur tussen de oude en de nieuwe tijd, een zwarte grijsaard die ons aan onze jeugd herinnerde. Oude mannen herkennen elkaar aan de hartstocht waarmee zij als kind de geuren van een station hebben opgesnoven, het geluid en de beweging hebben nagebootst van een locomotief die zich moeizaam in gang zette, weerhouden door de geweldige zwaarte waarin de kracht lag samengebald om afstanden te overwinnen.

Een dergelijk vuurspuwend monster had een eigen weg nodig, dat spreekt vanzelf, een weg die alleen voor zijn razende voetstappen was bestemd, een ijzeren bedding voor zijn droom. Dwars door bossen en weilanden, over rivieren en afgronden, door bergen en langs zeeën ijlend, bracht de trein stations, spoorbomen, seinpalen, wachtershuisjes, wissels en lantarens tot leven en verbintenis, een wereld die zich in de onze heeft genesteld en de landschappen van ons continent tot een vertrouwd landschap, een groter vaderland heeft samengevoegd, een opwindende verbroedering in een wolk van stoom en rook.

Dat alles dankzij het lijnenspel van twee smalle metalen richels die onder ons wegglijden, alsof zij het zijn die de trein in beweging houden. Een dorre strakke weg van ijzer, hout en steenslag, met een eigen weidse sierlijkheid, eenzaam en godverlaten als een litteken in het landschap, met een overgrote stilte als van sommige plekken in de natuur. Streng, uitgebannen en zelfgenoegzaam, maar gedisciplineerd en speels nog in de verwarring van wissels en rails waarmee bij een station alle windstreken in elkander vloeien en zich tot een knoop, een strik verenigen, een stalen bron van verandering, scheiding en heimwee.

Dit ingewikkelde en tegelijk ordelijke samenstel van krachten en bewegingen is een geweldige dichterlijke prestatie, te vergelijken met de Ilias of Das wohltemperierte Klavier. Maar niet tevreden met de perfectie, die in de techniek slechts voorlopig kan zijn, verbeteren wij de volmaaktheid door een nog grotere perfectie, waardoor ervaringen antiek worden nadat zij nieuw en kinderlijk zijn geweest.